Iedereen danst en drinkt thee

Micha Klein, Matthew Barney en Mariko Mori laten de alledaagse werkelijkheid vervloeien met hun eigen fantasiewereld – met een beetje hulp van hun computer. De toeschouwer treedt toe tot hun paradijs, met de kunstenaar als gids.

Vanaf vijf beeldschermen tuurt Mariko Mori naar de toeschouwer. Er klinken zachte Japanse klanken door het ronde zaaltje waar haar video Miko no Inori wordt getoond en ondertussen staat de Japanse kunstenares daar, en kijkt. Alles aan haar is zilver: haar haar, dat sluik rond haar gezicht hangt, haar onnatuurlijk lange nagels, haar nauwsluitende pak, dat uitloopt in twee bladvormige ballonnen die vanaf haar borsten langs haar schouders uitsteken. Alleen haar mond is wellustig rood. Haar handen, ondertussen, spelen met een glazen bal. Ze rolt hem rond, laat 'm over haar vingers lopen, langs haar handpalmen, als een waarzegster die de toeschouwer wil hypnotiseren.

Dat lukt aardig: je komt in een trance, door de muziek, door de bal, door de mooie vrouw die zoveel exclusieve aandacht voor je heeft. En dus probeer je Mori's blik te beantwoorden. Je kijkt haar recht in de ogen – en je ziet dan dat die het licht weerkaatsen. Plotseling kantelt de hele scène – want wat is er eigenlijk nog echt aan deze vrouw? Ineens ziet Mori's haar er nep uit, net een hoerenpruik. Die kunstnagels. Dat plastic pak. En je blijft maar naar die ogen kijken. Draagt ze contactlenzen? Heeft Mori haar ogen met een computer gemanipuleerd? Waar houdt, kortom, Mariko Mori op en begint, ja wat eigenlijk – haar kunst?

Van Mariko Mori zelf zal de toeschouwer het antwoord niet snel horen. De Japanse kunstenares (1967), van wie op dit moment in het Duitse Wolfsburg een solo-tentoonstelling te zien is, heeft zich sinds enkele jaren gespecialiseerd in het scheppen van een eigen werkelijkheid, een utopie in filmpjes en foto's. De ene keer zweeft Mori daar rond als een Japanse geisha, omringd door boeddhistische Teletubbies, een andere keer staat ze als de dochter van Star Treks Mr. Spock in een futuristische ruimtecapsule. Of ze voert een rituele dans uit in een eeuwenoud bos. Hoe vreemd Mori's foto's er soms ook uitzien, ze zijn altijd tijdloos, ze kunnen nauwelijks met heden of verleden in verband worden gebracht - zelfs de realistisch uitziende hal waarin Mori in Miko No Inori met haar bal staat te draaien is niet te duiden. Alles is er net zo zilvergrijs als Mori zelf; het zou een vliegveld kunnen zijn of een busstation, in de verte lopen af en toe mensen met koffers voorbij.

Narcissus

Mariko Mori is niet de enige kunstenaar die met haar werk probeert een eigen, tijdloze wereld te creëren. Ook Matthew Barney, Micha Klein, Pipilotti Rist, Vibeke Tandberg en Paul Smith wagen pogingen in die richting. Opmerkelijk is daarbij dat verscheidene van deze kunstenaars eerst als fotomodel hebben gewerkt: Barney en Mori hebben hun geld ermee verdiend en Klein laat zich graag met zijn model-vriendin Afke fotograferen. Ook treden ze allemaal prominent op in hun eigen werk. Daarbij is enig narcisme hun niet vreemd, al hebben ze de rol van een nieuwe, een hedendaagse Narcissus aangenomen. Ook deze Narcissus kijkt smoorverliefd naar zijn eigen spiegelbeeld, maar in plaats van daarin te blijven zwelgen besluit hij zichzelf tot norm te verheffen en de wereld om hem heen op zijn maatstaven toe te snijden. Tandberg en Smith doen dat bij voorkeur door die wereld te vullen met zichzelf. Tandbergs foto's lijken alledaagse kiekjes, waarop ze te zien is met haar familie en haar eeneiige tweelingzusje – dat ze helemaal niet heeft. En Paul Smith toont groepjes mannen op hun allerbanaalste momenten: pochende militairen zwaaiend met hun geweer op oefening, bachelorsfeestjes met drank, obscene gebaren en met soms wel acht jongens op de foto – en iedere keer zijn al die jongens Paul Smith.

Vergeleken bij dit werk is het werk van Matthew Barney, Mariko Mori, Pipilotti Rist en Micha Klein veel poëtischer. Zij bedienen zich niet van de alledaagse realiteit, maar creëren een hele nieuwe, eigen wereld. Die van Micha Klein is nog relatief normaal: gevuld met dansende pillen en kunstmatig gemuteerde schoonheden, een universum dat de toeschouwer ook nog wel zelf zou kunnen oproepen door het nemen van de juiste drugscocktail. De wereld van Matthew Barney is daarbij vergeleken alweer een stuk ingewikkelder. In zijn film Cremaster 4 bijvoorbeeld, speelt Barney zelf de hoofdrol van een sater die na een lange tapdans-sessie (!) door de vloer van zijn woning aan de kust van het Isle of Man in zee zakt en vervolgens door een zachtgele rubberen baarmoeder weer omhoog moet klimmen. Ondertussen springen er drie faunen door zijn woonkamer en wordt er langs zijn huis een zijspanwedstrijd gehouden – Barney's Narcissus ligt bij Freud op de divan.

Fantasiewereld

Hoe verschillend de werelden van Klein, Mori en Barney ook zijn, veel belangrijker is de overeenkomst in hun werk: alle drie laten ze een herkenbare wereld overvloeien in de wereld van hun fantasie. Hoe goed je ook kijkt, als toeschouwer kun je nauwelijks meer vaststellen waar de normale wereld ophoudt en het door de kunstenaar geschapen universum begint. Dat is ook wat hun werk bijzonder maakt: min of meer terloops hebben Mori, Klein c.s. de grenzen tussen fotografie en schilderkunst geslecht en dat blijkt voor de kunst merkwaardige implicaties te kunnen hebben.

Van oudsher zijn schilderkunst en fotografie elkaars tegenpolen geweest – allebei streven ze naar datgene wat de ander cadeau krijgt. De schilderkunst werd eeuwenlang bepaald door kunstenaars die probeerden een zo realistisch mogelijk beeld te scheppen, waarbij ze pas langzaam tot het besef kwamen dat de werkelijkheid nu eenmaal niet uit verf bestaat. De fotografie daarentegen, oorspronkelijk beschouwd als het eerste medium dat de buitenwereld natuurgetrouw weergaf, probeerde al snel `kunst' te worden. De fotografie wilde subjectief zijn, een persoonlijke, artistieke visie geven. Daarin voelden de fotografen zich gesteund door filosofen als Heidegger en Wittgenstein, die bleven twijfelen aan de kenbaarheid van de werkelijkheid – en waarom zou dat niet voor de fotografie gelden?

Veel schilders besloten al snel van hun `zwakte' een kracht te maken: steeds vaker namen ze de worsteling met de verf als onderwerp. De fotografie echter veranderde nauwelijks, die bleef hardnekkig vasthouden aan haar pogingen boven zichzelf uit te stijgen. Ook tegenwoordig nog rechtvaardigen fotografen uit de kunst-hoek hun kunstenaarschap graag met de opmerking `dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat'. Sterker nog, ze worden er steeds populairder mee: de Biennales en Manifesta's hangen vol met foto's waarvan je als toeschouwer absoluut niet meer begrijpt wat ze voor bijzonders tonen. Die subjectiviteitspretentie van fotografen is dan ook voor een groot deel onzin. De werkelijkheid op een foto is altijd een glijdende schaal, voor een groot deel objectief vast te stellen en voor een kleiner deel interpretatie. Als er al getwist zou moeten worden over de werkelijkheid in foto's, zou die strijd moeten gaan over de mate waarin foto's subjectief zijn.

Maar omdat fotografen hun kunst-status nu eenmaal ontlenen aan die subjectiviteit, was de komst van de computer voor hen een uitkomst. Daarmee kon de subjectiviteit van de fotografie nog eens extra benadrukt worden. Hoe dat werkt is goed te zien aan het werk van Inez van Lamsweerde. Zij maakte al vroeg portretten van mensen (de serie Thank you Thighmaster bijvoorbeeld), die ze vervolgens op de computer manipuleerde – vrouwen met onnatuurlijk lange benen, vervormde ogen, huid zonder een putje of pukkeltje. Hoewel niemand ooit een Van Lamsweerde-personage op straat zou tegenkomen, suggereerden deze foto's dat haar personages echt zouden kunnen zijn. Toch verhaalden ze vooral over manipulatie van de normale wereld.

Sinds kort, nu de computers zoveel geavanceerder zijn geworden, kunnen kunstenaars de kloof tussen de `objectieve' fotografie en de `subjectieve' schilderkunst onzichtbaar overbruggen doordat ze met de computer kunnen `schilderen'. Soms monteren ze daarbij het ene beeld in het andere, vaker worden foto's of films als uitgangspunt voor een werk genomen en wordt daar een omgeving omheengebouwd, waarbij de oorspronkelijke foto's meestal onherkenbaar worden gemanipuleerd. Bij kunstenaars als Micha Klein en Mariko Mori is de manipulatie niet meer het onderwerp, maar een middel – om de toeschouwer te amuseren, te verleiden of anders te laten kijken.

Bounty-strand

Empty Dream, een werk van Mariko Mori uit 1995, laat de overgang van fotografie naar computermanipulatie goed zien. Het werk is, net als de meeste latere foto's van Mori, bijna drie meter hoog en zeven meter lang, en toont een klassiek Bounty-strand. De lucht is er blauw en glanzend, net zoals het water, in de verte is een rots met een palmboom en over het zand verspreid zitten groepjes badgasten die wat luieren, zwemmen of een gat graven. Net op het moment dat je denkt dat dit te idyllisch is om waar te zijn, zie je dat zich aan de bovenkant van de foto, boven de horizon, een dak bevindt. De vertwijfeling slaat toe, en die wordt alleen nog maar versterkt doordat je merkt dat Mori zelf maar liefst vier keer op de foto opduikt. Ze ligt als blauwverpakte zeemeermin op het strand, twee keer spartelt ze in het water en ze zit op een rots en lonkt met haar staart naar de zwemmers.

De kracht van Empty Dream zit 'm niet in het idyllische beeld, maar in de vervlechting van nep-werelden. Toch is het idee erachter eenvoudig: Mori nam de foto van het strand in de Ocean Dome, een enorm zwembad in de Japanse stad Miyazaki, waar de zee tot in de kleinste details is nagebouwd. Dat bad is eigenlijk al een kunstwerk op zich, Mori hoefde er alleen maar zichzelf tussen te zetten om de toeschouwer in een prachtig soort verwarring te brengen.

Maar zo makkelijk en subtiel als bij Empty Dream lukt het niet vaak. De generatie van Klein en Mori slaagt er weliswaar in een heel eigen `tussenwerkelijkheid' te creëren, het hele procédé bevindt zich nog in het beginstadium. Nog iets te vaak doet hun werk nog denken aan de film Who framed Roger Rabbit? (1988) waarin de (levende) acteur Bob Hoskins in de slag moet met getekende tegenspelers. Juist dat onderscheid proberen deze kunstenaars op te heffen: voor hen vormen foto, tekening, schilderij en computerbeeld een werkelijkheid waar de toeschouwer onbelemmerd doorheen kan dwalen – grenzen bestaan niet meer.

Technisch mag hun dat uitstekend lukken, daar staat tegenover dat Mori en Klein c.s. zo tevreden zijn met die verworvenheden dat hun werk er inhoudelijk nogal eenzijdig van wordt. Vooral Micha Kleins werk heeft daar last van: hoe inventief hij zijn fotomodellen ook weet te manipuleren en mengen, met elkaar, met andere foto's of met computertekeningen, het resultaat is een eenzijdige wereld met het housefeest als hoogste goed. Daarbij vergeleken is het werk van Mori al een stuk veelzijdiger. Ook in haar universum is er weinig vies of rot, het zijn utopieën waar de zon altijd schijnt, iedereen lief is voor elkaar en waar iedereen de hele dag lacht, danst en thee drinkt. Maar Mori geeft ook ruim baan aan het mysterie – neem het surrealistische zwembad in Empty Dream of het vervreemdende sprookjesbos in haar serie Kumano.

Wat al deze kunstenaars in ieder geval gemeen hebben is dat ze, ook in hun nieuwe wereld, een Narcissus zijn gebleven: in hun eigen wereld willen ze koste wat kost overheersen. Hun eigen optreden in hun werk krijgt de functie van een vooruitgeschoven post, van een engel, die de nieuwe wereld alvast heeft verkend voor de toeschouwer en hem of haar naar binnen lokt: kijk, kom maar, het is hier goed toeven, ik heb het al voor je uitgezocht.

Dat het terrein tussen fotografie en schilderkunst nog lang niet is ontgonnen blijkt uit Nirvana, een van de recentste werken die Mariko Mori in Wolfsburg laat zien. De toeschouwer die deze installatie wil bekijken moet een 3-D bril op, en krijgt dan een film voorgeschoteld, begeleid door de zweverige, mantra-achtige klanken waarop Mori het patent lijkt te hebben. De kunstenares zelf stijgt als een Japanse variant op de Venus van Botticelli uit een lotusbloem op. Ze is gekleed in een goudkleurige kimono, wappert als een oosterse danseres met haar handen en wordt begeleid door veelkleurige monstertjes die, zittend in luchtbellen, ieder een ander muziekinstrument bespelen. Als Mori boven het water komt te zweven strooit ze met een weids gebaar een bundel veertjes over de toeschouwers uit die in 3-D op hem af dwarrelen – de neiging om er een uit de lucht te plukken is onweerstaanbaar. Maar als je daar dan zit, je hand geknepen tot een vuist waar niks in zit, besef je dat de Mori's en de Kleins voorlopig alleen zichzelf toegang tot de hemel hebben verschaft. Wij, de gewone stervelingen, mogen toekijken aan de poort.

Mariko Mori: Esoteric Cosmos. Kunstmuseum Wolfsburg, Porschestrasse 53, Wolfsburg. Di 11-20u, wo t/m zo 11-18u. T/m 9 mei. Catalogus: 72 blz, 39 DM.

Paul Smith (samen met Erwin Blumenfeld en Paul Citroen), Galerie Cokkie Snoei, Mauritsweg 55, Rotterdam. Do t/m zo 13-18u. 14 februari t/m 14 maart.

Van oudsher streven schilderkunst en fotografie naar datgene wat de ander cadeau krijgt

    • Hans den Hartog Jager