Hoe Hollands is Indonesië

In Indonesië groeit de angst voor versnippering van de eenheidstaat met de dag. Het separatisme is paradoxaal genoeg een laat antwoord op het kolonialisme. Want of men het nu ontkent of juist trots benadrukt, de grondslagen van de Republiek Indonesië zijn gelegd door Nederland.

Pas op, de Republiek dreigt uiteen te vallen. Zo luidde het hoofdartikel van het tijdschrift Forum uit Jakarta op 17 augustus 1998, de 53ste verjaardag van de Republiek Indonesië. Er zou een einde komen aan de Indonesische eenheidsstaat. Het plotselinge aftreden van Soeharto in mei leek een totale verbrokkeling in te luiden.In het gehele land braken rellen uit. Onafhankelijkheidsbewegingen in Atjeh en Timor voerden de acties op. En op diverse plaatsen vonden grootschalige demonstraties tegen het oude bewind plaats. Van een volledige ineenstorting is het niet gekomen, maar het luiden van de noodklok maakt ons bewust van de kwetsbaarheid van de Indonesische eenheidsstaat.

Wat is Indonesië? Tot op grote hoogte is het een Nederlands product. Niet alleen zijn de landgrenzen bepaald door de Nederlandse machtsuitbreiding, maar ook de bestuurlijke unificatie, het transmigratiebeleid en de Maleise taalpolitiek namen onder het Nederlandse bewind een aanvang. De regeringen van het onafhankelijke Indonesië toonden zich waardige opvolgers: ze hebben het unificatiebeleid overgenomen en aangescherpt. De boetsering van de Indonesische eenheid is dus pas een kleine eeuw op gang.

Elk land heeft behoefte aan een zekere mate van historische logica. De Nederlandse geschiedenis ving, althans tot voor kort, voor alle gemak met de klokbekercultuur aan, of met de Batavieren of Kanninefaten. Een dergelijk beeld is goed voor de nationale gemoedsrust. In Indonesië – een staat met een veel kortere geschiedenis en een land van duizenden eilanden, honderden talen en culturen en vele religies – liggen de zaken ingewikkelder. Een van de nationalistische noodgrepen was het Nederlandse koloniale bestuur als een monster voor te stellen dat geheel Indonesië 350 jaar onder de hakken had gehouden. Andere, positievere middelen waren het staatsmotto Bhinneka tunggal ika (Eenheid in verscheidenheid) en de staatsideologie Pancasila (Vijf principes), die erkenning van de culturele verschillen propageerden. Daarachter school een virulente nationalistische politiek, die de lokale culturen tot charmante maar onschuldige toneelstukjes trachtte te reduceren.

De twee overzichtswerken over de geschiedenis van Indonesië kwamen dus bijna post mortem. De geschiedenis van Indonesië van John Miksic en Anthony Reid, oorspronkelijk een tweedelige Engelstalige uitgave die hier in één boek verschijnt, vermijdt ieder determinisme. Integendeel, redacteuren en schrijvers lijken in de eerste plaats de verscheidenheid van culturen en ontwikkelingen in de Archipel te willen benadrukken. Een soort middelpuntvliedende nationale geschiedenis van de vroegste artefacten tot de ondergang van de onafhankelijke staten in de buitengewesten rond 1900.

Archeologie

Het boek bestaat uit een reeks korte columns, geschreven door vooraanstaande historici uit Indonesië en erbuiten, en is voorbeeldig geïllustreerd. Grote nadruk krijgen archeologie, letterkunde en ecologie, vakgebieden waarop de laatste decennia grote vorderingen zijn gemaakt. Het boek biedt een intrigerend overzicht van de stand van zaken van het historische onderzoek. Een groot nadeel van de kaleidoscopische aanpak is het bijna volledig ontbreken van de grote lijn. Duidelijk wordt wel hoe de afgelopen 1500 jaar een voortdurende spanning bestond tussen de grote centra van macht en cultuur – het Sumatraanse Sriwijaya, het Javaanse Majapahit en Mataram, en het Nederlands-Indische Batavia – en de regio.

Opmerkelijk is dat het Nederlandse kolonialisme in het boek slechts een marginale rol krijgt toebedeeld, in een bewuste en geslaagde poging de geschiedenis van Indonesië vanuit inheems en dus regionaal perspectief te belichten. Zo lezen we eerder over de literaire renaissance in het zeventiende-eeuwse Java of over de Chinese mijnwerkerskongsies in Kalimantan, dan over de overwegingen in het gouverneurspaleis in Buitenzorg. Het biedt een verfrissend uitzicht op de inheemse dynamiek en vooral op de voortdurende culturele verscheidenheid en staatkundige fragmentatie.

De geschiedenis van Indonesië eindigt met de teloorgang van de onafhankelijke vorstendommen in Atjeh, Bali en Centraal-Sulawesi in het eerste decennium van deze eeuw. Het was het bloedige einde van de staatkundige verscheidenheid. De ondergang van de laatste onafhankelijke vorstendommen betekende geenszins het einde van het regionalisme. Lokale centra (Bali, Atjeh, de Javaanse vorstenlanden Yogyakarta en Solo, Makassar) bleven nog lange tijd het perspectief in de regio bepalen en tot ver in de eeuw staken onafhankelijkheidsbewegingen de kop op. Maar het nationale perspectief werd sinds 1900 toch steeds sterker. Omstreeks dezelfde tijd ontkiemden op Java de eerste nationalistische bewegingen als Boedi Oetomo, de Sarekat Islam en de Indische Partij. We moeten op het vervolgdeel wachten om getuige te zijn van de eenwording van Indonesië.

Het gelijknamige Nederlandse boek, samengesteld door een Leidse redactie in het kader van het project Bouwstenen voor intercultureel onderwijs, kan hierna alleen maar tegenvallen. De leerdoelen en eindtermen van het interculturele onderwijs zijn mij niet bekend, maar het resultaat is buitengewoon braaf. Anders dan het hierboven besproken werk geeft dit boek weliswaar een overzicht van de gehele Indonesische geschiedenis, maar het lijdt aan een kleurloos encyclopedisme. Dat het niet allemaal zo zemelig hoeft, bewijzen de hoofdstukken over de twintigste eeuw, en vooral over het onafhankelijke Indonesië, veruit het beste deel van het boek en bovendien het interessantst voor Nederlandse lezers.

Ergerlijk is de voortdurende verwijzing naar de Nederlandse daden in de Archipel, kennelijk bedoeld om de zaak voor Nederlandse lezers herkenbaar te maken. Al lezende wordt ook duidelijk dat met interculturaliteit vooral de groep Indische Nederlanders wordt bedoeld. Het leidt tot een merkwaardige onevenwichtigheid. Precies de helft van de 138 in het register opgenomen personen zijn (Indo-)Europeanen, een eigenaardige verhouding in een overzicht van minstens twee millennia Indonesische geschiedenis. Ruim tien procent van het boek gaat overigens over de Indische migranten in Nederland, meer dan over de gehele Indonesische geschiedenis na 1949. Zo figureert Anneke Grönloh vrolijk naast Soetan Sjahrir. Je vraagt je af welke verdienste zij voor de Indonesische geschiedenis heeft gehad.

Koloniaal bestuur

De vraag blijft welke sporen het koloniale bestuur in Indonesië heeft getrokken, een vraag die in beide boeken onbeantwoord blijft. In het eerste overzichtswerk omdat de `eigen' geschiedenis de meeste aandacht krijgt, in het tweede omdat het niet uitstijgt boven het clichébeeld. Aan deze belangrijke kwestie heeft J.J.P. de Jong zijn gewichtige, ruim zevenhonderd pagina's tellende studie De waaier van het fortuin gewijd, een werk waaraan hij tien jaar heeft geschreven.

Is er eigenlijk wel plaats voor nóg een overzichtswerk van de Nederlandse aanwezigheid in de Indische archipel? Er zijn de afgelopen jaren immers nogal wat van zulke werken verschenen, zoals J. van Goors De Nederlandse koloniën en W.H. van den Doels Het rijk van Insulinde. Bovendien heeft het koloniale perspectief in de internationale vakwereld niet de wind mee. De waaier van het fortuin is het product van een Nederlandse preoccupatie.

Alle reserves verdwijnen echter na lezing: er is inderdaad behoefte aan dit boek. Behalve een indrukwekkend overzicht van de ontwikkelingen in de Archipel tussen 1600 en 1950, biedt het een fijnzinnige synthese van de discussies over het Nederlandse kolonialisme.

De Jongs aanpak verschilt sterk van die in de gangbare overzichtswerken. De hoofdstukken zijn veelal gegroepeerd rondom een brandende historiografische kwestie. Dit is een knap procédé dat, bijna consequent doorgevoerd, de lezer tot het einde geboeid houdt. Zo vraagt De Jong zich af of het alliantiesysteem van de VOC gericht was op dominantie of op gelijkwaardigheid (het laatste). Of de Bataviase samenleving gesegregeerd was (nee). Of het Cultuurstelsel een verarming van de Javaanse bevolking teweegbracht (nee). Of de crisis van 1929 een einde betekende aan de welvaartsinspanningen (nee). En of de dekolonisatie van Indonesië nu werkelijk zo klunzig was verlopen als dikwijls wordt voorgesteld (nee). De antwoorden zijn stellig, prikkelend, soms discutabel, maar altijd bewonderenswaardig goed onderbouwd.

Het Nederlandse perspectief werkt uiteraard vertekenend. Zoals Indonesische leerlingen nog steeds op school leren dat Nederland Indonesië 350 jaar lang heeft overheerst, wordt hier de indruk gewekt dat de historische dynamiek in de Archipel van Nederlandse makelij was. Maar het `beperkte' perspectief ten spijt, is De waaier van het fortuin helemaal niet zo Neerlandocentrisch. De Jong stelt stelselmatig de vraag wat nu de effecten van de Nederlandse aanwezigheid waren op het dagelijks leven van de lokale bevolking. Zonder te vervallen in emoties of ironiserende distantie, zoals veel Nederlandse historici doen, analyseert De Jong koel en gedetailleerd de verschuivingen die de Nederlandse aanwezigheid teweegbracht in de inheemse samenleving.

Een van De Jongs hoofdthema's is de geleidelijke eenwording van de Archipel. Hij vermijdt iedere teleologie en stelt terecht dat territoriale verovering om veroveringswille in het Nederlandse kolonialisme pas laat optrad. Hij sluit hierbij aan op het debat over de vraag of er wel een `klassiek' Nederlands imperialisme bestond, zoals dat van de Engelsen en Fransen.

Dat de verovering van de Indonesische Archipel zich niet eenvoudig laat vergelijken met de deling van Afrika spreekt voor zichzelf. De Nederlandse expansie had haar eigenaardigheden. Zo betoogt De Jong dat de economische opening van de Archipel door Europese ondernemers vooráfging aan de verovering. De Koninklijke Paketvaart Maatschappij was aanvankelijk misschien wel doorslaggevender voor de uiteindelijke eenwording van de Archipel dan de formele koloniale overheersing. Was het kolonialisme op Java primair gericht op productiebeheersing, elders nam het KPM-imperialisme het voortouw.

Pas in de twintigste eeuw maakte het oude systeem van bondgenootschappen en handelsimperialisme plaats voor direct bestuur. Belangrijker was de wonderbaarlijke economische ontwikkeling van de `buitengewesten'. Daar kwam bij dat de laat ingezette totale expansie samenviel met een ommezwaai in het denken over de verplichtingen van het koloniale bestuur jegens de inheemse bevolking. Een `moralistisch messianisme', aldus De Jong, een Nederlandse variant van de white man's burden, maakte zich meester van het gouvernement.

Het welvaarts- en ontwikkelingsbeleid dat hieruit voortsproot had een belangrijk neveneffect. Door scholingsprogramma's, het transmigratiebeleid en de geleidelijke uniformering van het bestuur droeg de Nederlands-Indische regering bij aan de culturele eenwording van de Archipel. Anders dan de meeste schrijvers vóór hem, ziet De Jong een definitieve breuk met het verleden dus in het eerste of tweede decennium van de twintigste eeuw. Hoewel de opkomst van Java een proces van vele eeuwen was, is de werkelijke vorming van een eenheidsstaat in de Archipel dus hooguit honderd jaar oud.

Cultuurstelsel

De Jong is verrassend positief over het Nederlandse beleid. Zonder nu direct van eerherstel te spreken, worden de Nederlandse bestuursdaden in een opvallend gunstig daglicht gezet. Neem het befaamde Cultuurstelsel, het systeem van verplichte verbouw en leverantie van producten door de Javaanse landbouwers, dat tussen 1830 en 1870 hoogtij vierde. De Jong vat de discussie over de gevolgen daarvan kundig samen. De vraag of het Cultuurstelsel een verarming voor de bevolking betekende, zoals veel historici hebben beweerd, blijft relevant. Los van de observatie dat de effecten per regio en handelsgewas sterk verschilden, concludeert De Jong echter dat het stelsel grosso modo leidde tot een verbeterde infrastructuur, een uitbreiding van de landbouwgrond en, `door de bank genomen', een hogere welvaart.

Het lijkt erop dat De Jong zich hier heeft laten meeslepen door zijn behoefte een hardnekkig beeld van verpaupering te corrigeren. Het betoog dat aan deze conclusie vooraf gaat, wijst namelijk in een andere richting. De eerste fase van het Cultuurstelsel ging gepaard met massale hongersnoden in de jaren na 1840. Nadien, toen het gouvernement alle zeilen bijzette om de welvaart van de bevolking te verbeteren, waren het vooral de landeigenaren en de dorpshoofden die van het stelsel profiteerden.

Buitengewoon positief oordeelt De Jong ook over de beschavingsmissie die in de eerste decennia van de twintigste eeuw werd ingezet. Nederland ontwikkelde Indië laat maar gezwind, en het resultaat, aldus De Jong, mag er zijn. Hiermee keert hij zich tegen de talloze critici die beweerden dat Nederland slecht voor zijn koloniën zorgde. De inhaalmanoeuvre, aldus De Jong, was het werk van ethisch geïnspireerde ambtenaren, veelal van linksige snit, die al dan niet vervuld van een Multatuliaanse zendingsdrang werkten aan de verbetering van het onderwijs en de levensomstandigheden van de inlandse bevolking. De Jong sluit hier nauw aan bij J.A.A. van Doorns De laatste eeuw van Indië (1994), waarin Nederlands-Indië wordt voorgesteld als een `koloniaal project', geleid door een elite van welwillende doch bevoogdende technocraten.

De Jongs analyses van het gouvernementsbeleid – vooral over de jaren dertig, die in de literatuur sterk verwaarloosd zijn – behoren tot de beste stukken uit zijn boek; met nauwelijks verholen empathie schrijft hij over de resultaten van het ontwikkelingsbeleid. Toch maakt hij duidelijk dat het beleid van technocratische interventies ook zijn keerzijde had. Mede door de goedbedoelde ontwikkelingsdrift wilde de Nederlands-Indische overheid van geen nationalistische beweging weten: het kind mocht pas het huis uit, zodra het volleerd was. Maar dat zijn kinderen nooit. Het proces van democratisering verliep onder Nederlandse voogdij weinig succesvol en liep in de jaren dertig zelfs geheel vast.

Een van de meest verrassende en vernieuwende invalshoeken van De waaier van het fortuin is de nadruk op de centrale positie van de etnische `mengcultuur' in de Nederlands-Indische samenleving. We moeten hierbij niet alleen denken aan de Indo-Europeanen, maar aan een stedelijke cultuur waaraan Indonesiërs, Europeanen en Chinezen deelnamen. Migratie, verstedelijking en onderwijs bevorderden het ontstaan van deze Indische cultuur. De vermenging was maar ten dele het gevolg van het koloniale beheer, hoewel de straffe modernisering en de Nederlandse onderwijspolitiek in de eerste helft van de twintigste eeuw de versmelting sterk bevorderden. Het is een opmerkelijke visie, die regelrecht indruist tegen het klassiek geworden beeld van een sterk gesegregeerde samenleving die door de koloniale wetgeving in stand werd gehouden.

Sterker nog, De Jong ziet de gemengde cultuur als de basis van het moderne Indonesië. Soekarno was inderdaad zelf bij uitstek een product van deze mengcultuur: zoon van een Javaanse onderwijzer en een Balinese moeder, en opgegroeid in de stoofpot van Indonesische intellectuelen. Hij zag haarscherp dat Indonesië een kruiwagen vol kikkers was, die slechts met moeite bijeen konden worden gehouden. Zijn Pancasila en het staatsmotto `Eenheid in verscheidenheid' vertolkten de noodzaak om de culturele verschillen tot het retorisch middelpunt van de nieuwe staat te maken.

Opmerkelijk is dat de Pancasila nog steeds wordt gezien als een onmisbaar bindmiddel van de Indonesische culturele kikkerwagen. Geen van de ruim 130 politieke partijen die het afgelopen jaar zijn opgericht, roept om afschaffing van de Pancasila. Integendeel. Toch is het de vraag of de Indonesische eenheidsstaat in de huidige vorm zal overleven. Er vindt een herbezinning plaats over de verhouding tussen het centrum en de regio's. Hoewel zich buiten de bekende probleemgebieden, Atjeh, Oost-Timor en West-Irian, nauwelijks afscheidingsbewegingen roeren, zal in de provincies de behoefte aan een eigen koers vermoedelijk groeien, al was het maar om niet afhankelijk te zijn van een corrupt en geldverslindend Jakarta.

De eeuw van eenwording loopt ten einde.

John Miksic en Anthony Reid (red.): Geschiedenis van Indonesië. Land, volk en cultuur. Uniepers, 300 blz. ƒ99,–

Frans van Baardewijk e.a.: Geschiedenis van Indonesië. Walburg Pers, 192 blz. ƒ39,50

J.J.P. de Jong: De waaier van het fortuin. Van handelscompagnie tot koloniaal imperium. De Nederlanders in Azië en de Indonesische Archipel 1595-1950. Sdu Uitgevers, 715 blz. ƒ79,90