Het gouden kalf van het geluk

Het verschijnsel is al vaker gesignaleerd: de kerken hebben met leegloop te kampen, terwijl de religiositeit een hausse beleeft. Er is ook al vaker een verklaring voor gegeven, de één geslaagder dan de ander. Maar in De religieuze ruis wordt het opnieuw geprobeerd door Anton van Harskamp. De bundel is een reactie op een eerder verschenen opstel van zijn hand, waarmee de bundel opent. Van Harskamp ziet de onstuimige opbloei van religie als (bijna) gedetermineerd door het risicokarakter van de moderne maatschappij. Waar zal een mens zich bergen, als hij niet meer onder een hemels baldakijn leeft, om een uitdrukking van Peter Berger aan te halen, dat hem zijn plaats aangeeft in de wereld? Er blijft hem niets anders over dan zichzelf, als individu, vastigheid proberen te verwerven. Achter de nieuwe religiositeit moeten we dus, nu de grote zinverlenende systemen het laten afweten, een gerechtvaardigde zoektocht van het individu zien: hij is bezig zijn bestaan zin te geven, en zichzelf een identiteit.

Van Harskamp neemt het met deze tekening op tegen de negatieve oordelen die de kerken over de `nieuwe religiositeit' plegen te vellen. Onder de druk van de maatschappelijke situatie móeten de mensen wel, lijkt hij te zeggen. Met zo'n functionele verklaring begeeft hij zich intussen op een glibberig pad. Ik zie niet hoe hij kan vermijden dat – als je consequent bent – de kerk en háár religiositeit op dezelfde manier moeten worden verklaard. Als ik Van Harskamp goed begrijp is dat nu ook weer niet de bedoeling, de kerken moeten niet worden afgeschreven. Ze moeten een en ander bijleren, vooral dat de antwoorden van de moderne religiositeit op onze risicomaatschappij getuigen van meer fijngevoeligheid voor onze situatie dan de kerken zelf weten op te brengen.

Deze tweespalt in Van Harskamps behandeling – als godsdienstsocioloog en als geëngageerd kerklid – wreekt zich vervolgens in de bundel. Een aantal professionals schrijft tegen de stellingname van Van Harskamp zijn eigen opvattingen aan. Dat geeft stuk voor stuk heel aardige opstellen, maar maakt de boodschap van de bundel niet duidelijker. Voor een deel gaan de auteurs verder op het spoor van de verklaring van religie, anderen volgen Van Harskamp in zijn zorg om het voortbestaan van de kerken. Dat levert opstellen op die daar even zinnig als bescheiden over weten te spreken, maar ook bijdragen die proberen te herformuleren wat met religie en geloof bedoeld kan zijn.

Al met al heeft de bundel zodoende iets tobberigs, er wordt gezocht naar wat religie is en waar ze goed voor is. De inhoud ervan zou daarover misschien meer licht kunnen verspreiden, maar afgezien van een enkele bijdrage gaat het juist meer over de rol van religie dan over de inhoud ervan.

Nee, dan De boksende boeddhiste en andere zoekers naar zingeving. Ook een bundel en zoals de titel laat zien, met hetzelfde thema bezig, Maar wel heel anders! Laat geen professionals aan het woord, maar dragers van de nieuwe religiositeit zelf, en alle getob is direct verdwenen. Niks onzekerheid! Zodra de nieuwe gelovigen zelf mogen zeggen waar het hun om gaat, spat van christen (EO-signatuur) tot atheïst de stelligheid er vanaf. Er is niet één die zegt: `ik weet het eigenlijk niet'. Geen dolende schapen, geen kudde op drift, maar mensen die zeker zijn van hun zaakjes. En zijn ze irrationeel, zoals Van Harskamp meent? Is de kerkelijke godsdienstigheid dan zoveel rationeler dan de wilde religiositeit? Neem Jeroen Krabbé. Hij zou wel graag willen geloven, je hoort dan ergens bij, alle grote vragen zijn opgelost, en je hoeft zelf niet meer na te denken. Waar Krabbé deze wijsheid vandaan heeft vertelt hij niet, maar het is onzin. Hij draagt zijn standpunt wel vrolijk uit, en mag dan (op z'n tijd) worden gekweld door persoonlijke gekte, voor religieuze vragen heeft hij, naar eigen zeggen, toch te veel humor. Lucia Rijker (zij is de boksende boeddhiste, viervoudig wereldkampioen kickboksen zelfs) heeft de sleutel tot het geluk in het boeddhisme gevonden, althans in wat zij als boeddhisme ziet. Dankzij het vele chanten komt de wijsheid boven, en haar levensdoel is nu, als een soort Emil Ratelband, trainingen te geven in geestkracht, waarmee het lichaam onder de duim kan worden gehouden als het opspeelt (met kanker bijvoorbeeld). Een begrafenisondernemer vindt het leven doodsimpel: zin? Zin is zoiets als `zin hebben in'. Inderdaad, doodsimpel. Marion Lescrauwaet is heks geworden, ze kwam de Keltische religiositeit tegen, met heksen en al, en ineens stond het voor haar vast: dat ben ik. Laat ik ook de zekerheid van Henk Hak niet vergeten. Het bijbelboek Spreuken is voor hem het handboek voor de zakenman. Al zijn waarheden haalt hij uit de Bijbel, dus ook die waar je in het zakendoen behoefte aan hebt. En om ten slotte nog iemand te noemen: Aleid Schilder. Het gereformeerde geloof in de uitverkiezing heeft in haar leven plaats gemaakt voor een even onverwoestbaar geloof in reïncarnatie.

Een bundel, zo kan ik het wel samenvatten, van mensen die het gevonden hebben. Zulke bundeltjes moeten er meer komen, het zijn getuigenissen. Ze lichten beter in over nieuwe vormen van religiositeit dan uiteenzettingen van deskundigen. En irrationeel, dat blijkt nu wel, is niet het kenmerk. Als reïncarnatie irrationeel is, dan ook de opstanding der doden. Een andere observatie ligt meer voor de hand.

Het draait in nogal wat nieuwe religiositeit om het goede gevoel, om het vinden van het geluk. Marjoleine de Vos wijst daar in haar inleidinkje al op, en ik val haar bij. Alleen, het is niets nieuws. In oeroude tijden, bij de Sumeriërs en Babyloniërs, kon een mens zonder God nooit gelukkig zijn en omgekeerd: geluk hebben betekende dat je een God had. Je veranderde dan ook van God als die van de anderen sterker bleek te zijn of meer bleek te bieden dan de jouwe. Die tendens heeft altijd in religie gezeten, ook in jodendom en christendom. In het klassieke christendom zelfs tamelijk heftig: in de hemel komen, daar ging het om. Schijnbaar werden latere christenen wijzer, toen ze het verlangen naar de hemel afzwoeren. Maar ervoor in de plaats kwam: wij willen hier op aarde al gelukkig zijn.

Niets op tegen, sterker: wie wil het niet? Je moet wel heel veel boter op je hoofd hebben om hiertegen ten strijde te trekken als een soort verderfelijk eudemonistisch trekje dat in religie niet thuis hoort. Het hoeft trouwens ook niet, want het houdt vanzelf weer op. Als godsdienstig geloof louter wordt gepraktiseerd om het persoonlijk geluk, vergaat het dat geloof zoals de wonderboom van Jona: het verdwijnt even snel als het is verschenen. Een God die louter en alleen wordt gediend omdat hij brengt wat je wenst, schopt het niet ver. Noch irrationalisme, noch individualisme lijken mij kenmerken van een vluchtige religiositeit, maar veeleer het aanhangen van een God omdat en voorzover hij geluk brengt. Een blijvende religie kun je eraan herkennen dat de aanhangers ervan niet overstag gaan zodra hun God tegenvalt. Ze hebben hem niet alleen gezocht om het geluk.

Anton van Harskamp (e.a.): De religieuze ruis in Nederland. Thesen over de versterving en de wedergeboorte van de godsdienst. Meinema, 131 blz.ƒ19,90

Mascha Dellen: De boksende boeddhiste en andere zoekers naar zingeving. Plataan, 140 blz. ƒ32,50