Gevoelens op de lange termijn

Vreemd genoeg wordt bij de regelmatig terugkerende klaagzangen over de afwezigheid van toegankelijke samenvattende studies door Nederlandse historici zelden of nooit melding gemaakt van Pieter Spierenburgs overzichtswerk De Verbroken Betovering uit 1988 over de West-Europese cultuurgeschiedenis van de late Middeleeuwen tot het eind van de achttiende eeuw. Aan de reikwijdte in tijd of ruimte kan dat nauwelijks liggen, en evenmin aan de schrijfstijl en presentatie, die helder en overzichtelijk zijn. Misschien komt het omdat deze studie bedoeld was als handboek.

Na tien jaar is dit boek opnieuw uitgebracht en dat vraagt om een evaluatie. De meest opvallende wijziging ten aanzien van de eerste uitgave is dat de geschiedenis van de seksualiteit een eigen hoofdstuk heeft gekregen. Verder is overal de recentere literatuur verwerkt, zijn per onderdeel handzame bibliografische verwijzingen opgenomen, en is er een nieuw notenapparaat. In de grote lijn van het boek is niet veel veranderd. Een belangrijke plaats is ingeruimd voor familieverhoudingen en ontwikkelingen op het gebied van huwelijk, gezin en seksualiteit. Tezamen bestrijken ze het tijdperk tussen ongeveer 1200 en de negentiende eeuw en beslaan ze meer dan een derde van de totale tekst. Veel aandacht wordt besteed aan volkscultuur en gemeenschapsleven op lokaal niveau, aan de heksenvervolgingen, doodsbeleving, ziekte en waanzin, en geweld en fysiek lijden, waarbinnen de geschiedenis van het straffen een belangrijke plaats inneemt.

Bij de lezer gaan bij deze keus van onderwerpen al gauw de lichtjes opflakkeren van namen als: Foucault, Elias, Le Goff, Le Roy Ladurie, Ginzburg, Ariès, en zelfs de oude Weber. Spierenburg knoopt inderdaad in grote delen van zijn boek aan bij debatten die soms al decennia lang historici in hun greep houden. De nieuwe noten maken beter dan voorheen de rol van bepaalde historici in die debatten duidelijk. Een voorbeeld is de langdurige discussie over veranderingen in de affectieve banden binnen het gezin, waarin het werk van Ariès een grote rol heeft gespeeld. Noch de `orthodoxe' visie (weinig affectie en vooral economische en dynastieke belangen) noch de `revisionistische' opvatting (die juist wijst op een grote mate van affectie) vindt in Spierenburgs ogen genade. Hij weet een genuanceerde en interessante visie op de ontwikkelingen in deze affectieve banden te schetsen.

Een eveneens geslaagde samenvatting van decennia debat en honderden publicaties vinden we in de sectie over heksenvervolgingen. Daarin schetst hij bijvoorbeeld hoe heksenvervolgingen voornamelijk gericht waren tegen vrouwen, niet vanwege de veranderende man/vrouwverhoudingen, noch vanwege een plotselinge toename van misogynie in Europa, maar door de interactie van het volkse stereotype van de tovenares en het elitaire beeld van de niet deugende vrouw.

De Verbroken Betovering is dus in veel opzichten een uitstekend handboek. De meerwaarde zowel als de problemen zijn vooral te vinden in de drie langetermijnontwikkelingen die de rode draad en tevens de dwarsverbindingen tussen de hoofdstukken vormen: de `onthiërarchisering' van het gevoelsleven; de privatisering van allerlei levensaspecten (waarvan de verhulling van de dood een van de bekendste is); en de onttovering en secularisering van het wereldbeeld. Die rode draden zijn, zoals Spierenburg in een helder inleidend hoofstuk uiteenzet, vooral ontleend aan het werk van Norbert Elias en in de tweede plaats aan dat van Max Weber. Ze geven de richting aan van de grote ontwikkelingen in het West-Europese gevoelsleven en wereldbeeld, en verbinden die bovendien via een duidelijk stramien met veranderingen op het terrein van staatsvorming en geweldbeheersing. Zo vormen de geschiedenis van het straffen en die van de houding ten aanzien van heksen of kinderen niet langer gescheiden sectoren van de geschiedenis, elk met hun eigen debat, maar vallen ze allemaal binnen dit coördinatenstelsel.

Dat is duidelijke taal. De voordelen van zo'n heldere structuur zijn evident. De vraag is of dit kader, dat teruggaat op twee bij uitstek in het negentiende-eeuwse evolutiedenken gewortelde en sterk sociologisch geïnspireerde geleerden, nog past en relevant is. Spierenburg zegt daar te weinig over. Zowel de keuze van de onderwerpen die hij bespreekt in De Verbroken Betovering als de wijze waarop hij dat doet, is namelijk sterk gekleurd door zijn theoretische stellingname. Dat valt vooral te merken wanneer we bekijken wat er allemaal niet aan de orde komt. Immers, het spreekt niet vanzelf dat in een handboek over West-Europese cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis op enkele losse illustratieve voorbeelden na vrijwel geen woord te vinden is over beeldende kunst of over letterkunde (afgezien van volksverhalen). Misschien vindt Spierenburg die bij uitstek horen bij de zogenaamde Hoge Cultuur. Maar in sociaal opzicht bespreekt hij wel degelijk elite–groeperingen zoals de hofadel en hogere burgerij. Spierenburg verwijst nu en dan naar schilderijen en literaire bronnen waar die ander bronnenmateriaal bevestigen, maar over het problematische karakter van dergelijke representaties en hun relatie met het verleden horen we niets.

Dit zijn niet de enige opvallend afwezige onderwerpen. In een studie die zich expliciet richt op cultuur, mentaliteit en wereldbeeld, is geen spoor te vinden van het preïndustriële wereldbeeld in de meest letterlijke zin, terwijl er vaak een overdosis sociale structuren te vinden is. Geen mededelingen over kaarten, reizen, of nieuwe ontdekkingen binnen en buiten Europa. Als er één tijdperk te noemen is in de Europese geschiedenis waarin op dat gebied belangrijke dingen gaande waren dan is het wel de periode tusen 1450 en 1650. Geen woord ook over de grote wetenschappelijke ontdekkingen van de zestiende en zeventiende eeuw – soms nog aangeduid als de wetenschappelijke revolutie – die een niet te onderschatten invloed hebben gehad op het leven en wereldbeeld van grote aantallen mensen. Geen woord over de uitvinding van de boekdrukkunst (afgezien van volksboekjes) en de revolutie in kennisverspreiding die daarmee vanaf de zestiende eeuw gepaard ging. Nauwelijks iets over onderwijs en geletterdheid. Het gaat er niet om dat Spierenburg een ander boek had moeten schrijven, maar wel om de vraag of hij de keuze van onderwerpen – en daarmee zijn opvatting over wat cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis inhoudt – niet had moeten toelichten.

Dat geldt temeer daar pas in het derde hoofdstuk, en dan nog terloops, duidelijk wordt gemaakt dat er op cultuurhistorisch terrein nog heel wat andere benaderingen mogelijk zijn. Daar blijkt dat Spierenburg bijzonder weinig opheeft met wat hij aanduidt als meer antropologisch georiënteerde benaderingen, waaronder hij ook alle onderzoek naar beeldvorming, ritueel, symboliek etcetera lijkt te verstaan. Die worden in enkele bijzinnen en soms in de noten op een hoop geveegd en naar de prullenmand verwezen. Het gevolg is dat dit boek een monolithisch karakter heeft. Alles past prachtig binnen de coördinaten, maar discussie over de coördinaten is bij voorbaat uitgebannen. De vraag rijst dan ook niet alleen of dat theoretisch kader nog deugt, maar ook of de auteur zijn materiaal niet al te zeer aan dit kader heeft aangepast. Twee voorbeelden. Het hoofdstuk over geweld en straffen begint met de mededeling dat collectief geweld buiten beschouwing blijft. Waarom eigenlijk? Het antwoord is simpel: omdat de Eliaanse civilisatie- en staatsvormingthese staat of valt met het minder gewelddadig worden op lange termijn van de Westerse samenleving, en dat valt, gezien de twintigste-eeuwse vernietigingsoorlogen en genocide, nauwelijks staande te houden. Omgekeerd is het ook curieus dat Spierenburg zijn bespreking van het straffen pas start rond het begin van de zestiende eeuw, en niet een eeuw of twee à drie eerder, zoals hij wél doet en terecht bepleit waar het om gezinsgeschiedenis gaat. Als hij zijn eigen recept had gevolgd, had hij moeten constateren dat de straffen in de late Middeleeuwen helemaal niet wreed of op het lichaam gericht waren, en dat ze dit in toenemende mate wél werden naarmate overheden meer greep kregen op de geweldsmiddelen in de vijftiende en zestiende eeuw. Helaas alweer in flagrante tegenspraak met het Eliaans-Weberiaanse model. Het is vreemd dat Spierenburg, die enerzijds zo genuanceerd kan schrijven over ontwikkelingen in gezinsgeschiedenis en over de problematiek van de relatie tussen volk en elite, tegelijkertijd zo star kan zijn.

Pieter Spierenburg: De Verbroken Betovering. Mentaliteit en cultuur in preïndustrieel Europa. Verloren (derde geheel herziene druk), 416 blz. ƒ49,–