Gemaltraiteerde dichtende pedofiel

`Het belang van een schrijver is nooit in zijn biografie gelegen. Zijn belang zit in het literaire werk', schrijft Hans Renders in de verantwoording van zijn biografie van Jan Hanlo Zo meen ik dat ook jij bent. De prachtige en voor een biografie zeer toepasselijke titel is ontleend aan een van Hanlo's eerste gedichten, daterend uit de jaren 1943-'44, dat als volgt eindigt:

zoals een waskaars en een koekoek

en een oud boek en een glimlach

en wat onverwacht en zacht is en het

eerste

en wat schuchter en verlangend en

vrijgevig

gaaf maar broos is

zo meen ik dat ook jij bent.

Het is een respectabel en verdedigbaar standpunt dat het belang van een schrijver nooit in zijn biografie is gelegen. Het roept tegelijkertijd onvermijdelijk de vraag op waarom iemand zich dan zoveel inspanning getroost om erachter te komen hoe hij meent dat Hanlo was en hoe zijn leven eruit zag. In zijn nawoord zegt Renders er slechts dit over: `De biografie verandert de kijk op het schrijverschap, en dat is de waarde ervan. Al was het alleen maar omdat we voortaan meer weten over de ontstaansgeschiedenis van Hanlo's poëzie.'

Een schrijversbiografie heeft betekenis als de lezers inzicht verwerven in de verwevenheid van het leven en het oeuvre. Waarom dichtte Hanlo? Waarom dichtte hij zoals hij dichtte? Op welke momenten, met welke drijfveren, in welk gemoed? Het blijkt vrijwel ondoenlijk hier bij Hanlo een vinger achter te krijgen. Biografische aanknopingspunten zijn nu eenmaal moeilijk aanwijsbaar in gedichten als `Oote oote oote / Boe / Oote oote / Oote oote oote boe / Oe oe / Oe oe oote oote oote / A / A a a / Oote a a a.'

Anders dan Jan van der Vegts biografie van Hanlo's tijdgenoot Hans Andreus uit 1994 maakt de levensbeschrijving van Hanlo door Renders zelden een samenhang zichtbaar tussen biografische feiten en literaire teksten. De biografie van Andreus is één groot interpretatiekader, zonder dat de biograaf op platvloerse wijze, `één op één', Andreus' poëzie of ander literair werk als bron – autobiografisch materiaal – heeft gebruikt. De aan Andreus' psychiater ontleende gegevens over de `gekte' van de dichter voegen echter wel degelijk iets toe en blijken zelfs van eminent belang voor een beter begrip van de poëzie. De levensfeiten omtrent Hanlo die Renders dankzij consciëntieus onderzoek weet te presenteren, geven, hoe belangwekkend die feiten ook zijn, geen dieper inzicht in zijn poëzie. Althans niet aan mij.

Om de vergelijking met Andreus nog even aan te houden: ook Jan Hanlo was gek, in elk geval in de ogen van verscheidene psychiaters die hem in en buiten psychiatrische inrichtingen hebben behandeld. Het onthullendste resultaat van Renders' onderzoek is zijn beschrijving van de manier waarop de gekwelde, pedofiele, alcoholische en aan psychoses lijdende Hanlo door de psychiatrie is gemaltraiteerd.

Onvolwassen

De in 1912 in Indië geboren Jan Hanlo woonde tot zijn vijftiende in Deurne en vervolgens, alleen met zijn bigot katholieke moeder Mai, in Houthem bij Valkenburg. Zijn jeugd werd verpest door het slechte huwelijk en de scheiding van zijn ouders. Hij groeide op als een verwend en verpest jongetje met een overdreven moederbinding. Volgens zijn biograaf leed hij zelfs aan het Peter Pan-syndroom, kenmerkend voor iemand die weigert volwassen te worden en altijd terug blijft verlangen naar de onschuld van zijn kinderjaren. Een probleem van deze benadering is dat ze enigszins reductionistisch is: de totale persoonlijkheid van Jan Hanlo, zijn relaties, zijn problemen, zijn hele ontwikkeling worden gerelateerd aan en teruggebracht tot deze ene, door de biograaf gediagnostiseerde, `afwijking'.

Afwijkend gedrag vertoonde Hanlo al van jongs af aan. Na zijn eindexamen HBS wilde het met zijn carrière niet echt lukken. Hij probeerde het als journalist, als student psychologie en later als leraar Engels bij Schoevers in Amsterdam. Pas op zijn veertigste debuteerde hij als dichter. Een echte Vijftiger als Andreus, Campert, Elburg of Lucebert was hij niet, beter op zijn plaats voelde Hanlo zich bij het tijdschrift Barbarber, waarin hij met enige regelmaat publiceerde. In 1958 verschenen zijn Verzamelde gedichten, gevolgd door de prozabundels In een gewoon rijtuig, Moelmer, Go to the mosk en Zonder geluk valt niemand van het dak.

Het probleem dat Hanlo's leven beheerste was zijn pedofilie, die hij niet in overeenstemming kon brengen met zijn aan godsdienstwaanzin grenzende katholicisme. Het vlees was meestal sterker bij Hanlo, wat hem verscheidene malen in aanraking bracht met de justitie. Wegens het strelen van een tepel van een vijftienjarige jongen zat hij twee maanden in de gevangenis.

Aangrijpend is het hoofdstuk in Renders' biografie dat gewijd is aan Hanlo's opname in 1947 in de katholieke psychiatrische inrichting Sint Willibrordusstichting in Heiloo. Patiënten zoals Hanlo, van wie verondersteld werd dat zij leden aan schizofrenie, werden aan de gruwelijke insulinecomatherapie (ICT) onderworpen. Bij deze behandeling kregen de slachtoffers gedurende een half jaar vijf keer per week insuline ingespoten. De patiënt geraakte in een coma, waaruit hij na verloop van tijd weer als herboren en `normaal' moest ontwaken.

Hanlo is een paar keer uit het katholieke gekkenhuis weggelopen. De ondragelijke ICT-kuur had niet het gewenste effect. Een maand nadat hij zijn laatste insulinespuit toegediend had gekregen, werd in zijn dossier aangetekend dat hij nog steeds last had van homoseksuele neigingen.

Wat er verder precies met hem is gebeurd in de Sint Willibrordus, die bekend stond om zijn rigoureuze aanpak van seksuele afwijkingen, is niet bekend. Ondanks zijn indrukwekkende speurwerk komt de biograaf er niet achter of Hanlo, net als talloze andere in de kliniek opgenomen homoseksuelen, tijdens zijn verblijf in Heiloo is gecastreerd. Zelf heeft Hanlo nooit veel losgelaten over zijn opname daar. In Zonder geluk valt niemand van het dak beschreef hij uitvoerig zijn ervaringen in de Valeriuskliniek, maar het boek houdt op bij zijn aankomst in Sint Willibrordus.

Renders suggereert niettemin dat Hanlo wel degelijk (vrijwillig) is gecastreerd. Sterker, hij stelt het ondanks gebrek aan bewijs voor als een vaststaand feit. Uitvoerig vertelt hij over de beruchte dokter Wijffels die ten tijde van Hanlo's verblijf in de inrichting de gevreesde ingreep verrichtte. De patiënten wisten precies wanneer Wijffels aan het werk ging. `Een auto, door de patiënten de ballenwagen genoemd, reed langs de paviljoens om de vrijwilligers op te halen en over te brengen naar de operatietafel van Wijffels'.

Uit geen enkel medisch of psychiatrisch dossier heeft Renders echter kunnen opmaken of Hanlo gecastreerd werd. Desondanks schrijft hij op pagina 261 dat Hanlo tijdens zijn verblijf in Heilo eindelijk boete had kunnen doen, om daaraan toe te voegen: `Het castratiemes had zijn werk gedaan'.

Mag je dat met zoveel stelligheid beweren, als je geen spoor van zekerheid hebt over een ingreep die – als hij werkelijk heeft plaatsgevonden – van diepgaande en verstrekkende invloed moet zijn geweest op het leven en het werk van het slachtoffer.

Hanlo zelf heeft er nooit – althans voor zover valt na te gaan in Renders biografie – een woord over losgelaten: niet in zijn poëzie of proza, niet in gesprekken met vrienden en bekenden, en al evenmin in zijn correspondentie. De enige aanwijzing die Renders heeft, is een gesprek met Hanlo's Marokkaanse vriendje Mohammed die zich dertig jaar na Hanlo's dood wist te herinneren dat diens geslachtsorgaan `mutilé' was. Na de dood van Hanlo in 1969 ten gevolge van een ongeluk met zijn motor, verrichtte de pathaloog-anatoom Zeldenrust autopsie op zijn lichaam, in aanwezigheid van Hanlo's neef, de arts Eugène Hanlo. Het ligt voor de hand, schrijft Renders, dat Eugène had opgemerkt dat Jan Hanlo gecastreerd was, ware het niet dat hij halverwege de lijkschouwing door Zeldenrust is weggestuurd. Renders suggereert dat Zeldenrust de castratie koste wat kost geheim heeft willen houden, zowel tegenover de familie als tegenover de rest van de wereld, maar aannemelijk maakt hij dat niet.

Als case study van pedofilie in de jaren vijftig en zestig in Nederland, opgehangen aan de treurige figuur van de steeds verder in de versukkeling rakende Hanlo, is Renders' biografie geslaagd te noemen en dat geldt in het bijzonder de tweede helft van het boek. De eerste helft is het werk van een weinig bedreven verteller die er niet in slaagt zijn verhaal structuur te geven.

Een probleem bij het schrijven van een chronologisch opgezette biografie als deze, is om binnen de chronologie te thematiseren zonder dat de spanning uit het verhaal verdwijnt. Zodra Renders gaat thematiseren, bijvoorbeeld naar aanleiding van een door Hanlo veroorzaakt motorongeluk in 1938 waarbij een dode viel, laat hij de chronologie los. Lange, overbodige citaten uit ambtelijk gestelde processen-verbaal halen het tempo uit zijn verhaal en hebben geen aanwijsbare functie. Natuurlijk heeft Renders geprobeerd met deze uitgesponnen verhandeling vooruit te wijzen naar het nog dramatischer motorongeluk van ruim dertig jaar later, toen er weer een dode viel, Hanlo zelf. De lezer van de processen-verbaal biedt dit echter geen soelaas.

Motorrijden, moederbinding, pedofilie, geloof en drank: het zijn rode draden in het leven van Hanlo die de biograaf plichtsgetrouw uitspint zonder ze tot een verhaal te weven dat verband houdt met het werk waarom het allemaal was begonnen. Aan een visie op Hanlo ontbreekt het Renders niet, daarin voorziet immers het Peter Pan-syndroom, waar het aan ontbreekt is passie voor de dichter.

Hans Renders: Zo meen ik dat ook jij bent. Biografie van Jan Hanlo. De Arbeiderspers, 677 blz. ƒ85,–