Een vergissinkje in de Engelse popmuziek

Begin jaren zeventig veroverde de glamrock de Engelse popmuziek. Muziek, uitbundige aankleding en seksuele ambivalentie werden even belangrijk. Todd Haynes maakte er een film over: ,,De glamrockers boden de kinderen eindeloze variaties op zichzelf.''

Stijlvol en lachwekkend liggen dicht bij elkaar, legde de Engelse komiek Eddie Izzard eens uit: je kunt makkelijk van het ene doorschieten naar het andere. Tegen een boom leunen met een lucifer in je mondhoek? Cool. Een tweede lucifer in je andere mondhoek? Lekker suf.

Deze regel is sterk van toepassing op de glam- en glitterrock uit het begin van de jaren zeventig. Kijk naar oude Toppop-filmpjes en je gaat heen en weer tussen bewondering en hilariteit: de soepele, zelfverzekerde stijl van David Bowie en Marc Bolan is nog steeds imposant, maar The Sweet en Mud, in hun zilverkleurige pakken, hoge laarzen en beschilderde glittergezichten? Niet serieus te nemen. De film Velvet Goldmine, die vanaf deze week in Nederland te zien is, behandelt de glamrock met eenzelfde tweeslachtige blik; maar de bewondering overheerst.

Velvet Goldmine draait om de rocksterren Brian Slade en Curt Wild, die duidelijk zijn gebaseerd op David Bowie en Iggy Pop. De film vertelt op een duizelingwekkende manier over hun opkomst en ondergang, over hun romance, en over hun impact op de fans. De archetypische fan wordt gepersonifieerd in journalist Arthur Stuart, die tien jaar na de spectaculaire afgang van Slade erop uit wordt gestuurd om te onderzoeken wat er sindsdien met hem is gebeurd. De verslaggever blijkt als tiener volkomen idolaat te zijn geweest van Slade en Wild, verleid door een fantasiewereld die ver af stond van het druilerige leventje bij zijn ouders en vrienden. De film laat zien hoe waardevol een poptrend kan zijn voor opgroeiende pubers, die zichzelf nog aan het ontdekken zijn.

,,Bij het lezen van de recensies in de Engelse kranten'', zegt de uit New York afkomstige regisseur Todd Haynes, ,,merkte ik dat er in Engeland met enige gêne wordt teruggekeken op glamrock, als een stom vergissinkje in de fraaie geschiedenis van Engelse pop, als een grap die niemand nog serieus kan nemen.'' Zelf was Haynes (geboren in 1961) begin jaren zeventig te jong om de glamrock bewust mee te maken. Later ontdekte hij David Bowie, Roxy Music, Iggy Pop en The Velvet Underground. Hij vond niet alleen de muziek geweldig, maar ook de radicale, vooral in seksueel opzicht taboedoorbrekende houding van de artiesten. ,,En het was een prachtig voorbeeld van eenheid van vorm en inhoud, die een sterk conceptueel geheel vormden. De theatraliteit en het melodrama in de muziek strookten met de verhalen in de teksten, zoals Bowie's Ziggy Stardust-verhaal, met de fantasiewereld die werd opgeroepen. Alles was op een adembenemende manier met elkaar verbonden: de podiumpresentatie, met kostuums, kapsels en make-up, en de platenhoezen. Het was een manier om weg te komen van natuurlijke modellen, die in de jaren zestig zo overheersten. Deze artiesten waren zich bewust van het geconstrueerde van de maatschappij, van de performer op het podium, van identiteit en seksualiteit. In plaats van dat geconstrueerde te zien als iets negatiefs, als regels en codes die ons door de maatschappij werden opgedrongen, werkte dat besef juist heel bevrijdend. Want als identiteit en seksualiteit constructies zijn, kun je ze opnieuw construeren, ze veranderen, ermee spelen.''

Vraagtekens

Haynes: ,,Het was allemaal gericht op een tienermarkt. Als tiener zit je overal tussenin: je bent half kind, half volwassen, de wereld zit vol mogelijkheden. De glamrockers boden de kinderen eindeloze variaties op zichzelf. Je kon de ene dag Ziggy Stardust zijn, de volgende Aladdin Sane. Je kon experimenteren met homoseksualiteit zonder dat je per se homo was. Die vrijheid om dingen uit te proberen was heel bijzonder. Het ging om dat er tussenin zitten – niet homo of hetero maar biseksueel, niet macho maar androgyne, half mannelijk half vrouwelijk. Het zette vraagtekens bij de bestaande categorieën in de maatschappij.''

Alhoewel hij niet de eerste was, was David Bowie de meest opzienbarende en trendsettende glamrocker. Hij begon in de jaren zestig als een tamelijk conventionele blues- en folkzanger, was enige tijd leerling bij de mime-groep van Lindsay Kemp in Londen en begon daarna een eigen mime-groep; hij was mede-oprichter van een galerie voor experimentele kunst. Sterk beïnvloed door Andy Warhol, Lou Reed, Iggy Pop en Marc Bolan presenteerde hij in 1971 een nieuw, gedurfd image, met jurken en andere opvallende, gewaagde kleren, make-up en oranje geverfd haar. Hij schepte er genoegen in verwarring over zijn seksualiteit te zaaien – hij was getrouwd, maar zei biseksueel te zijn. In de film heeft Brian Slade een hevige romance met Curt Wild; dat is in werkelijkheid niet gebeurd met Bowie en Iggy Pop, al schijnen Bowie en Lou Reed wel iets met elkaar gehad te hebben. ,,Er zitten veel aspecten van Lou Reed in het Curt Wild-personage'', zegt Haynes. ,,Maar ik vond Iggy Pop, wat podiumpersoonlijkheid en zijn uiterlijk betrof, een veel sterker dramatisch contrast met de Engelsen. Het was niet mijn bedoeling mij strikt aan de historische werkelijkheid te houden.''

De sterke aanwezigheid van de Amerikaanse Curt Wild, erg overtuigend gespeeld door Ewan McGregor, onderstreept de Amerikaanse invloed op de Engelse glamrock. ,,Iedereen is aangetrokken door wat aan de andere kant zit'', zegt Haynes. ,,Curt Wild vertegenwoordigt de Amerikaanse traditie van harde, rauwe rock & roll. De Engelsen, zoals Bowie, Brian Eno en Bryan Ferry, waren ingehoudener, intellectueel, zelfbewust; ze kwamen uit de ouderwetse music hall-traditie, en de traditie van de dandy. Er was een aantrekkingskracht tussen die twee tegenpolen, die nodig was om glamrock te laten werken. David Bowie vond zijn stijl pas toen hij The Stooges had gezien en de Velvet Underground leerde kennen, waarna hij een grover, agressiever element toevoegde aan zijn theatrale showliedjes. Het maakte zijn uitstraling krachtiger en veel gevaarlijker.''

De glamrock had twee gezichten: de ambitieuze, intellectuele muziek van Bowie en Roxy Music, gemaakt door mensen met een (kunst-)academische achtergrond, en de simpeler, plattere muziek van The Sweet, Mud, Suzi Quatro en Gary Glitter, die hun artistieke doelen lager hadden gezet. Velvet Goldmine concentreert zich op de verhalende theatershows van Bowie, die personages speelde als Ziggy Stardust en Aladdin Sane. In een interview in 1972 zei hij zich meer als acteur en entertainer dan als muzikant te zien. Het was onduidelijk wie Bowie zelf was, en hoeveel hij van zichzelf toonde in zijn muziek.

Oscar Wilde

Haynes: ,,Er zat een speels escapisme in glamrock. Maar meer nog dan dat geloofden de artiesten niet in het idee van één waarheid. Oscar Wilde was van grote invloed op hen: hij was één van de eersten die het idee van de natuur als het voorbeeld voor de artiest aanviel – hij keerde het om: de kunst imiteert niet het leven, het leven imiteert de kunst. Zijn kracht was dat hij zulke ideeën omzette in poëzie; daardoor is zijn werk niet alleen ironisch en geestig, maar raakt het je ook emotioneel. De eerste albums van Roxy Music zijn voor mij het beste equivalent in de glamrock. Ze zijn heel geestig en ironisch, boordevol referenties, overal zitten grote aanhalingstekens omheen. Het resultaat zou kil, on-emotioneel moeten zijn, alleen intellectueel interessant, maar dat is niet zo. De rocksongs rocken echt, de ballads, hoe dik aangezet ook, zijn roerend. Ondanks al het kunstmatige is er iets ontzettend oprechts aan Roxy Music.''

Als filmmaker was het voor hem een uitdaging om de vorm en de stijl in de film te laten overheersen zonder de emotie te verliezen. ,,Dat is moeilijk, omdat het past in een traditie die we verloren zijn, van musical- en spektakelfilms. In die films zat de emotie niet in de psychologische ontwikkeling van de personages, of in directe scènes waarin mensen huilen of elkaar omhelzen, maar het was buiten het verhaal geplaatst. De emotie zat in de decors, de muziek, het spektakel, de totale ervaring die de film gaf. Velvet Goldmine werkt op die manier voor sommigen wel, voor anderen niet – dat kan aan de film liggen, maar ook aan het verlies van die traditie. Mensen zijn niet meer bekend met die vorm, ze willen alles letterlijk voorgeschoteld krijgen – hoe saai! Ik wil mij daar niet door laten inperken. Ik vind deze vorm veel vermakelijker.''

Glamrock eindigde in het voorjaar van 1975, toen David Bowie met Young Americans overstapte naar een blank soul-geluid en de carrières van The Sweet, T-Rex en Gary Glitter tanende waren. Eén van de laatste glam-hits was Make Me Smile (Come Up And See Me) van Steve Harley & Cockney Rebel, het uitbundige nummer dat Velvet Goldmine uitluidt.

Glamrock heeft zijn sporen nagelaten in vooral de Britse popmuziek, bij groepen als ABC en The Human League in de jaren tachtig en Suede, Pulp, Radiohead en Placebo in de jaren negentig. Laatstgenoemde bands werken mee aan de vermakelijke soundtrack van Velvet Goldmine, waarop hedendaagse muzikanten nieuwe, maar authentiek klinkende glam-nummers spelen.

De film lijkt zelfs nog een link te leggen met een pop-icoon uit de jaren negentig: Ewan McGregor lijkt als Curt Wild als twee druppels water op Kurt Cobain. ,,Ik weet het'', zegt Todd Haynes. ,,Maar dat was niet met opzet, ik zweer het. Het personage is genoemd naar een kennis die Curt heet. Het viel ons op de set niet eens op, ik zag het zelf pas toen we de film monteerden. De gelijkenis is inderdaad groot. Het idee is gelukkig niet eens zo gek, want Cobain droeg ook wel jurken, hij was gek op Iggy, verfde zijn haar zilver naar het voorbeeld van Iggy, en hij had een nummer van David Bowie op het repertoire. Er is zeker een verband.''

Velvet Goldmine is te zien in bioscopen door het hele land.