Een groentemeester

De onderkast is de gevaarlijkste afdeling van de bibliotheek. Soms verdwijnen er boeken. Zo kreeg ik eens de fotokopie van een lijvige, 19de-eeuwse studie die The Society of Dilettants heette. Ik legde hem in de tijdnood van toen in die bewuste kast, naast titels als De leer der toevallige ontdekkingen, Een geschiedenis van nutteloze kennis, Paul Emile Levys De wil. Verstandelijk ontwikkeld en toegepast als geneesmiddel (1932) en The Footnote. A Curious History van Anthony Grafton (1997).

Na lezing van The Plant Kingdom of Charles Jones, bezorgd door Sean Sexton en Robert Flynn Johnson, zocht ik genoemde dilettantenstudie die spoorloos bleek. Charles Jones zal er trouwens niet in hebben gestaan. Hij komt in geen enkel handboek of historisch overzicht voor. Dat maakt nieuwsgierig. Want zijn naam verdient wel degelijk te worden bijgeschreven, in de registers der dilettanten, in de geschiedenis van de fotografie, in de annalen van de moestuin. Dat we het fotografische oeuvre van Charles Jones kennen is het resultaat van een toevallige ontdekking. De fotoverzamelaar Sean Sexton vond in 1981 op de Bermondsey-antiekmarkt te Londen een koffer met honderden zwartwitafdrukken, waarop groente en fruit stonden afgebeeld. Die inhoud van die koffer was al door veel marktbezoekers bekeken. Sexton was kennelijk de eerste die er iets in zag. Waarom? Kennelijk had hij oog voor eenvoud, voor Jones onmiskenbare dilettantisme, en zag hij schoonheid in de afgebeelde peulen, wortels, stengselderij, kroten, radijzen, komkommers, maïs, pruimen, peren, aardbeien, appels, kruisbessen en netmeloenen, bloemkolen en andere vertegenwoordigers van de brassica-adel. Dat het motto van Robert Flynn Johnsons bijdrage aan The Plant Kingdom of Charles Jones `How difficult it is to be simple' luidt – epistelwoorden van Van Gogh aan Gauguin – is dan ook geen wonder. Dat het woorden van Van Gogh aan Gauguin betreft evenmin: de doeken van beide schilders vertonen de moeilijkheden die ieder genie heeft niet te mooi te schilderen'.

Hoe de volgorde precies is geweest – Flynn Johnson vond Sexton bereid, Sexton vond in Flynn Johnson een medeliefhebber, voorwoordschrijfster Alice Waters was enthousiast – ik weet het niet. Feit is dat eindelijk een (helaas te kleine) keuze van Charles Jones groente- en fruitfoto's is uitgegeven. Heel verantwoord, schitterende reproducties, daar niet van. Het frontispice laat meteen al een vijftal peentjes zien, haarscherp op de foto, in een samenligging die een groot en vertederend familiegevoel lijkt uit te drukken. De tweede (een bietengezin) vertoont alle dwarsheid en animositeit die door genen afgedwongen samenzijn met zich meebrengt. We hebben dan de afdeling `Plates' nog niet bereikt, en verkeren nog steeds in de afdeling The Plant Kingdom of Charles Jones waarin inleider Flynn Johnson poogt de dilettante schepper van al die groente- en fruitfoto's in een kunsthistorisch kader te plaatsen. Natuurlijk passeren de plantbeelden van Dürer de revue, de rode peper-erotica van meesterfotograaf Edward Weston, of de door Rembrandt getekende zwartwitschelp die conus marmoreus heet. Werk van kunstenaars die je echter moeilijk naïef of dilettant kunt noemen. Ik geloof dan ook niet dat je daar een fenomeen als groente- en fruitfotograaf Charles Jones recht mee doet. In dezelfde inleiding valt de naam Julia Margaret Cameron, de Engelse portretfotografe uit pre-rafaëlitische kring, die leefde van 1815 tot 1879 en op wonderbaarlijke wijze de werking van zonlicht in de menselijke haardos wist vast te leggen. Wie fotografeerde ze niet? De dichters Longfellow, Tennyson en Robert Browning, de schilder Holman Hunt, Dante Gabriel Rosetti... Erg gestileerd, veel verwijzingen naar Bijbel of mythologie, bepaald geen dilettante in de cultuur. De enige die in aanmerking komt voor vergelijking met Charles Jones is de Duitse ambachtsschoolleraar Karl Blossfeldt (1865-1932), de man die bloemen en planten slechts fotografeerde met het doel zijn leerlingen te laten zien wat de natuur onbewust leert over maximaal belastbare gietijzerconstructies. Zijn werk vertoont dezelfde, onbedoelde schoonheid.

Onbedoeld? Is dat echt zo? We weten het niet. Niet van Karl Blossfeldt. Over Charles Jones is evenmin veel bekend. Hij was hovenier, dat verbaast ons niet. We lezen dat hij een `Victorian outcast' was, verdwaald in de tijd (hij stierf in 1959), en zich binnen de muren van zijn hortus conclusus hield. Waarschijnlijk net als Blossfeldt maakte hij zich eigenhandig de fotografische kunst eigen. Eenvoudig was hij al, over het probleem van Van Gogh heeft hij vast niet nagedacht. Maar vanuit de eenvoud van de dilettant bereikte hij een onthutsende hoogte.

Hij zette zichzelf even haarscherp op de foto als zijn groente en fruit. We zien een dromer, in zijn zondagse pak, met een strohoed op het hoofd en ogen daaronder, die verraden dat hij één doel in het leven heeft: het vastleggen van groente en fruit pur sang, los van moestuin-context, geïsoleerd. Zorgvuldig gerangschikt, gestileerd, toegegeven. Maar niet uit cultuur-historische overwegingen, niet uit picturaal-seksuele associaties zoals bij Weston, maar – zo voel ik dat – gewoon uit liefde voor de natuurlijke vormen die moestuin en boomgaard opleveren, voor de eerlijke, kwetsbare schoonheid die de grond biedt, gezien door de dilettantenogen van een man die nooit verder kwam dan de regels die hij zelf had gespit. Die bosjes white icide-radijzen, die imperial-spitskool of de Winnigstadt-kool, zo'n weerbarstige winter white-bloemkool, de rijke stapeling van Larrys Perfection (groene kool), de kruisbessenvierling Criterion, of de schreeuwend eenzame peer Beurré Diel...

Pure dilettantenpoëzie, heel eenvoudig. De foto's van Charles Jones vormen een lichtende voetnoot in de geschiedenis der fotografie, vastgelegd met meesterhand, dankzij een louterende, ijzeren wil.

Sean Sexton & Robert Flynn Johnson (ed): The Plant Kingdom of Charles Jones. Preface by Alice Waters. Thames and Hudson, 128 blz. ƒ67,45