De Marathonwegramp van 1953

De Marathonweg: het is een naam voor een weg van, zeg, ongeveer 42 kilometer en 195 meter lang, maar in de praktijk is het een korte, rechte, brede straat in Amsterdam Zuid, tussen de Stadionweg en de Olympiakade. Als je zijn naam eer aan zou willen doen, zou je hem, ruwe schatting, zo'n honderd keer op en neer moeten rennen. In de Nederlandse poëzie is hij bekend geworden door de ramp die er begin jaren vijftig heeft plaatsgevonden, opgetekend door een van de weinige ooggetuigen ervan, de dichter Jan Kuijper. Zijn verslag is te vinden in zijn sonnet `Ramp', opgenomen in zijn debuutbundel Sonnetten (1973).

Aanvankelijk lijkt zich daarin nog geen rampspoed aan te kondigen. De dichter onderhoudt ons eerst maar eens over het kinderzitje op de stang van de fiets van zijn vader, en vervolgens gaan er vijfeneenhalve regel heen met een uitleg over de voor- en nadelen van het voorop dan wel achterop zitten. Voorop verdient de voorkeur: meer uitzicht, minder vrees om te vallen. Maar als het gedicht in regel 6 dan eindelijk op gang lijkt te komen, met de voorop zittende dichter, gebeurt meteen wat hij als achteropzitter al vreesde: hij komt ten val. Zijn vader verliest de macht over het stuur, valt om, en de kleine Jan kan weinig anders doen dan meevallen. De oorzaak is duidelijk, en wordt in de witregel tussen octaaf en sextet als het ware ook even voelbaar gemaakt: er blaast een stormwind over de Marathonweg.

RAMP

Ik had een eigen zadel, op de stang.

'k Zat liever daar dan achterop de fiets,

want voor kon 'k uitkijken, achter zag 'k niets,

behalve vaders jas, waaraan 'k me, bang

te vallen, met twee handen vasthield; iets

wat voor niet hoefde. - 'k Zat voorop, maar lang

duurde het niet, of 'k viel toch: het bedwang

van 't stuur was vader even kwijt, er blies

een stormwind over de Marathonweg.

'k Rolde over de kinderhoofdjes, en eer

'k het wist was 'k aan de overkant. 't Verkeer

was weggebleven van die lange, rech-

te weg, die februariochtend. 'k Zeg

(ik hoor het nog): naar school wil 'k nu niet meer.

Door de stormvlaag in die witregel is het gedicht in één keer op drift geraakt, en van de min of meer normale werkelijkheid verzeild in de wereld van de kinderangsten en -fantasieën. Een wereld waarin `'k Rolde over de kinderhoofdjes' een lugubere formulering is, ook al is daar welbeschouwd misschien geen reden toe. Met kinderhoofdjes zijn kleine ronde straatstenen bedoeld, maar vermoedelijk zal in het hoofd van iedere lezer wel even deze mislezing ontstaan, zeker als blijkt dat er heel snel iets naar de overkant van de straat rolt: niet `ik rolde over de kinderhoofdjes', maar `er rolde een kinderhoofdje'. En nog erger: het rolt daar over vele andere kinderhoofdjes, alsof er vlak voordat de dichter viel al honderden kinderen gesneuveld waren in die storm. Maar dat staat er allemaal niet. We moeten geloven dat de jongen in zijn geheel naar de overkant van de weg rolde, zonder aangereden te worden, waarna het rampverslag eindigt met wat in de kinderbeleving wel zo ongeveer de uiterste consequentie van een ramp moet zijn: de held geeft te kennen die dag liever niet meer naar school te willen.

`Ramp' was voor mij altijd het gedicht van de kinderhoofdjes – en meer in het algemeen: van het verschil tussen de zogenaamde werkelijkheid (een ongelukje) en de beleving ervan (een ramp). Tot mijn verrassing kwam ik het later tegen in 1 februari 1953, een bloemlezing uit gedichten, verhalen en toneelteksten naar aanleiding van de watersnoodramp, in 1983 samengesteld door Ad Zuiderent. Wat had Kuijpers gedicht nu met die ramp in Zeeland te maken, behalve dan dat je op grond van de woorden `ramp', 'storm' en `februariochtend' zou kunnen aannemen dat het zich op de ochtend van die eerste februari had afgespeeld? Kuijper vond het bij nader inzien zelf blijkbaar ook van belang, want toen hij `Ramp' in 1992 opnam in zijn verzamelbundel Wendingen voegde hij aan de titel tussen haakjes alsnog het jaartal 1953 toe.

Kennelijk wilde hij dat de lezer bij deze kleine Marathonwegramp aan de grote watersnoodramp zou denken, maar waarom? Om aan te geven hoe erg die ramp was: als er op de Amsterdamse Marathonweg de volgende ochtend nog een volwassene met zijn vijfjarige zoontje van zijn fiets geblazen werd, dan kun je wel nagaan hoe hevig het er in de nacht daarvoor in Zeeland aan toe moet zijn gegaan? Omdat er in zijn hoofd nu eenmaal een verbinding was ontstaan tussen particuliere en nationale ramp, eigen kinderangst en collectief trauma? Om het sterke contrast: het kind in zijn eigen wereld met zijn eigen rampen en rampjes, onwetend van de grote rampen elders? Of om de wrange tegenstelling tussen de figuurlijke kinderkopjes hier en de honderden echte dode kinderen daar? Het effect is moeilijk te benoemen, maar in ieder geval krijgt de kleine ramp aldus iets van de grote ramp mee.

De toevoeging van het jaartal zorgt er ook nog eens voor dat we nu weten hoe het gedicht afloopt. De dichter is het misschien vergeten, maar 1 februari 1953 was een zondag. Hij had die dag sowieso niet naar zijn kleuterschool gehoeven, ook niet als zijn vader wel de macht over het stuur had bewaard op de kinderkopjes van de winderige Marathonweg.