De bemiddelaars gaan met elkaar op de vuist

In Rambouillet hebben twee onderhandelingen tegelijkertijd plaats. Er is sprake van internationale pendeldiplomatie tussen de Servische en Kosovaarse delegaties. Maar parallel daaraan gaan de bemiddelaars met elkaar op de vuist over de status van de militaire macht die een vredesakkoord tussen de belligerenten moet waarborgen. Hoe groot de verwarring is toonde de vertegenwoordiger van de Europese Unie in het Franse conferentieoord, de Oostenrijkse diplomaat Wolfgang Petritsch, in een vraaggesprek met Der Spiegel onder de suggestieve kop ,,Die Serben werden fauchen'' (blazen, vrij naar een kat-in-het-nauw).

De vredesonderhandelingen worden gevoerd onder auspiciën van de Contactgroep bestaande uit de VS, Rusland, Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië. Maar er is een breed en diep meningsverschil tussen Russen en Fransen enerzijds en de NAVO aan de andere kant over wie het voor het zeggen krijgt bij de uitvoering van het vredesakkoord. Russen en Fransen hechten aan het primaat van de Contactgroep, waarbij het toezicht op de naleving van een overeenkomst zal blijven bij de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de militaire ondersteuning verzorgd zal worden door een gevarieerd internationaal contingent. De NAVO eist, analoog aan de aanpak in Bosnië sinds `Dayton', voor zichzelf de verantwoordelijkheid op. De organisatie weigert zich te onderwerpen aan een ander internationaal gremium. De herinnering aan de verlamming die het systeem van de dubbele sleutel in Bosnië teweegbracht – de NAVO kon alleen in actie komen op verzoek van de Verenigde Naties – is nog niet verbleekt.

Terwijl de Servische en Kosovaarse delegaties, naar het model-Dayton, verre worden gehouden van de media (,,Ze zijn geïnterneerd'', zegt Petritsch), praten, doorgaans anonieme, bronnen namens de verschillende internationale onderhandelaars honderduit. Petritsch zelf maakt het 't bontst. In grove lijnen schetst hij tegenover Der Spiegel de toekomst. De Kosovaren zullen volgens hem nagenoeg onafhankelijk zijn. Hun positie zal vergelijkbaar zijn met die van de Serviërs in Bosnië. Oostenrijks ambassadeur in Belgrado laat daarbij onvermeld dat de leider van de onderhandelingen in Dayton, de Amerikaanse diplomaat Holbrooke, de `Sonderstatus' (Petritsch) van de Serviërs in Bosnië achteraf toeschrijft aan eigen onoplettendheid tijdens `Dayton' en de halfhartige uitvoering daarna van de door hem, met de Amerikaanse militaire macht achter zich, afgedwongen overeenkomst.

Overigens oppert Petritsch wel de mogelijkheid van legering van Servische troepen aan de grens met Albanië. ,,Daarover bestaat nog niet honderd procent duidelijkheid.'' Er staan geen Bosnische troepen aan de grens tussen Servië en het Servische deel van Bosnië. Tot zover de door Petritsch getrokken vergelijking.

Petritsch is een optimist. Gevraagd naar wat er gebeurt aan het einde van de voorgenomen pauze van drie jaar, verklaart hij: ,,Misschien zijn de Albanezen en de Serviërs tegen die tijd in innige omarming verenigd.'' Maar ook houdt hij alle opties open: ,,Voor eind april zal óf het Kosovo-conflict formeel opgelost zijn, óf de NAVO bombardeert.'' Petritsch vervolgt: ,,Luchtaanvallen van de NAVO zouden met grondtroepen moeten worden aangevuld.'' Het mag duidelijk zijn dat het dan om een andere inzet gaat dan bij het voorgenomen waarborgen van een akkoord tussen de belligerenten. ,,Zonder bloedvergieten zal het niet gaan'', meent de EU-gezant over de door hemzelf bedachte variant.

Over de status van vredestroepen heeft Petritsch zijn eigen opvatting. ,,Inderdaad zou men rekening moeten houden met de Serviërs en niet van NAVO-troepen spreken, maar van VN-vredestroepen, ongeveer 30.000 tot 40.000 man, waarin ook Russische blauwhelmen zijn opgenomen. Moskou zit mee in de boot en zal het, zelfs wanneer het tot een interventie zou komen, de facto bij protesten laten.'' En vervolgens: ,,De VN-vredestroepen moeten het verblijf van het Servische leger en hun wapens in de kazernes strikt bewaken.'' En vervolgens: ,,Praktisch zijn we erbij de grens met Albanië en de Albanese havens te controleren om de wapenaanvoer naar het UÇK te stoppen.'' (Naast Servische troepen aan die grens?) En ten slotte: ,,Bewijst de Contactgroep nog eens dat zij onbekwaam is een probleem in haar eigen regio op te lossen, dan goedenacht Europa.''

Het team dat namens de Contactgroep in Rambouillet de onderhandelingen leidt bestaat naast Petritsch uit de Amerikaanse ambassadeur in Belgrado, Christopher Hill, en de Russische plaatsvervangende minister van Buitenlandse Zaken Boris Majorski. Het is onbekend wat de feitelijke inbreng van de EU-vertegenwoordiger in dit gezelschap is, maar zijn publieke uitlatingen staan niet borg voor een afgewogen en heldere bijdrage.

In zijn boek To end a war doet Holbrooke verslag van de aanloop naar en het verloop van de conferentie in Dayton – waar over Bosnië werd beschikt. Het is een verhaal over de strijd tussen de verschillende facties binnen de Amerikaanse regering, met als belangrijkste noot de weigerachtigheid van de Amerikaanse generaals, en de consequenties daarvan, om hun troepen ook maar enig risico te laten lopen. De overige leden van de Contactgroep, in Dayton aanwezig, hadden het nakijken. Holbrooke rechtvaardigt de verwaarlozing van de Europeanen met een verwijzing naar de problemen die hij en zijn medewerkers toch al hadden om niet alleen de oorlogvoerende partijen maar ook de eigen regering op één lijn te krijgen. De inbreng van de Europese partners konden de Amerikanen missen als kiespijn.

In Rambouillet heten de Europeanen, met name de Fransen en Britten, het voortouw te hebben. Hill heeft weliswaar een blauwdruk van een overeenkomst uit Washington meegekregen, maar als de VS al aan een vredesmacht deelnemen, zal dat om een naar verhouding beperkt contingent gaan. Het ziet er naar uit dat Amerikaanse deelname afhankelijk wordt gesteld van de status die de vredesmacht krijgt, met andere woorden: zij zal onder NAVO-bevel moeten staan, waarbij zij, evenals in Bosnië, kan worden aangevuld met eenheden van niet-NAVO-landen.

Anders dan ten tijde van `Dayton' liggen de meningsverschillen tussen de bemiddelaars nu op straat. De verwarrende uitspraken van ambassadeur Petritsch wijzen allerminst naar een ophanden zijnde eensgezindheid. Serviërs en Kosovaren, `geïnterneerd' als zij zijn, beiden intussen hun tijd. En wie kan hun ongelijk geven?

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.