Conserve was daad van verzet

Anders dan bij Gerard Reve of Hugo Claus hoort de eerste roman van Willem Frederik Hermans niet tot de favorieten van het publiek. De avonden en De Metsiers worden nog altijd veel gelezen - zo niet Conserve. De roman werd geschreven in 1943, maar trof het van meet af aan beroerd. Het manuscript werd afgewezen door Meulenhoff, die toch had beloofd Hermans na de bevrijding te zullen uitgeven. Vervolgens kwam er een weigering van Van Oorschot en ook van De Bezige Bij, Hermans' latere uitgevers.

Pas in 1947 verscheen de roman bij W.L. Salm, overigens nadat de uitgever eerst het typeschrift was kwijtgeraakt in een café en de schrijver om een kopie had moeten vragen. Het werd geen succes, volgens Hermans (in Mandarijnen op zwavelzuur) omdat het boek was gedrukt op oorlogspapier in een tijd dat op oorlogspapier gedrukte boeken zo goed als onverkoopbaar waren geworden. `Conserve verdween even geruisloos als het gekomen was'. Hij had het zelf in een van zijn verhalen kunnen verzinnen.

In 1957 werd een herziene versie opgenomen in Drie melodrama's en nog weer later heeft de roman zijn naam geleend aan Kees de Bakkers uitgeverij Conserve in Schoorl. Ter gelegenheid van het vijftienjarig bestaan van deze uitgeverij is Conserve nu opnieuw apart herdrukt, in een eenmalige gebonden editie. Helaas werd niet de oorspronkelijke versie herdrukt, maar de herziene, die ook in Drie melodrama's staat. Over die oorspronkelijke versie kunnen we wel lezen in de tegelijkertijd herdrukte bundel Over Conserve uit 1988, waarin onder meer de recensies uit 1947 zijn verzameld.

Hermans' eersteling blijkt tamelijk welwillend te zijn ontvangen, al is niemand echt enthousiast. Vestdijk noemt de roman `het typische voortbrengsel van een begaafd beginneling, die zijn vorm nog zoekt'. Bordewijk wijst op de surrealistische invloed, en vindt het `een boek voor weinigen, doch het bezit de verdienste iets anders te willen dan het in de kunst gangbare'. Maar voor de toekomst belooft de roman ongetwijfeld veel, zo oordelen bijna alle recensenten.

Het klinkt achteraf vanzelfsprekender dan destijds. Hermans had in 1947 nog maar weinig gepubliceerd. Enkele gedichten waren verschenen tijdens de bezetting, in 1946 gevolgd door de bundel Horror coeli. In Criterium hadden al een paar kritieken gestaan, waaronder een spraakmakende aanval op het oorlogsdagboek Doortocht van Bert Voeten, en in hetzelfde tijdschrift was hij begonnen met de voorpublicatie van fragmenten uit De tranen der acacia's, de roman waar Vestdijk in zijn recensie veel van zegt te verwachten, terwijl de recensent van Propria Cures de bedoelde fragmenten niet beter acht dan de `alom verslonden treinlectuur'.

Conserve moet in 1947 een vreemde indruk hebben gemaakt. Net als sommige van de verhalen die een jaar later in Moedwil en misverstand terecht zouden komen, behoort de roman tot het `fantastische' deel van Hermans' oeuvre. Zelf maakte hij al in 1945 een onderscheid tussen `irrationele fantasten' en `rationele realisten'. Het zal duidelijk zijn bij welke groep hij zijn eigen werk indeelde, want met de laatsten bedoelde hij vooral de schrijvers die zich onder invloed van Forum op de bekentenisliteratuur hadden gestort. Uit de kritieken in Mandarijnen op zwavelzuur weten we hoe hij over zulke `epigonen' van Ter Braak en Du Perron dacht. Een echte roman diende in zijn ogen een `gefantaseerd verhaal' te bevatten en niet een quasi-intelligent verslag van `onbeduidende verhoudingen met onnozele meisjes'.

Met de fantasie worstelt de Nederlandse literatuur nog steeds, en daarom is het goed dat deze roman opnieuw onder de aandacht wordt gebracht. Met Conserve doet een surrealistisch element zijn intrede, dat voordien alleen bij een door Hermans hogelijk gewaardeerde schrijver als Bordewijk aanwezig was. Het tekent de uitzonderlijkheid van Hermans' schrijverschap, waarin ook plaats was voor minder serieus genomen genres als de thriller en het melodrama. Onder het pseudoniem Fjodor Klondyke moet hij toen een viertal thrillers hebben geschreven, waarvan delen nadien in Drie melodrama's een plaats hebben gekregen - naast Conserve.

Het `melodrama' werd de overkoepelende term voor deze bizarre verhalen vol geweld, passie en waanzin. Maar, zou Hermans later schrijven, wat is er eigenlijk tegen melodrama, zo lang het maar om melodrama's gaat in de goede betekenis van het woord? `Melodramatisch in de slechte betekenis is een boek alleen als de geijkte deugd erin beloond wordt en de geijkte boosheid bestraft'. En daarvan is in Conserve, met zijn verwarrende morele scepsis, beslist geen sprake. Wèl zondigt de roman tegen Hermans' stelregel dat een Nederlandse schrijver bij voorkeur over Nederlandse zaken moet schrijven, want het verhaal speelt zich af in Amerika: deels in Nicaragua waar de mesties Ferdinand vandaan komt, deels in de Verenigde Staten waar de zusjes Onitah en Isabel en hun halfbroer Jerobeam als mormonen worden geboren.

Waarom situeerde Hermans zijn verhaal in een milieu van mormonen? In Het sadistische universum 2 wijst hij op de overeenkomst tussen de mormoonse religie en het nationaal-socialisme. In beide gevallen gaat het volgens Hermans om een `totalitaire wereldbeschouwing', die de `complete mens' opeist. In zekere zin was het schrijven van deze roman dus een daad van verzet, ook al kwam het in 1943 niet tot publicatie. Want juist met het absolutisme van de religie wordt in de roman de draak gestoken, net als trouwens in zoveel van Hermans' latere werk. Zijn hoofdpersonen vertonen opvallend vaak messiaanse trekken, zij menen de waarheid in pacht te hebben, zonder in staat te zijn hun omgeving daarvan te overtuigen. Zo brengt Hermans de literatuur in stelling tegen de gevestigde - al dan niet seculiere - religies die de mensheid wèl in hun greep hebben gekregen.

In Conserve is de `aandoenlijke' Onitah (op wie Hermans naar eigen zeggen jaren later `nog altijd verliefd' was) zo'n messiaans karakter. Zij wil terug naar de oude Egyptische religie, waarin niet alleen de geest maar ook het lichaam onsterfelijkheid wordt toegedicht. Alle ellende in de wereld zou verdwijnen als de lichamen der gestorvenen werden gebalsemd, zodat de lucht niet meer `troebel' zou zijn van de vele zielen die er zonder thuishaven in rondzwierven. Dat Onitah als een krankzinnige wordt beschouwd, is geen bezwaar. Of liever: haar krankzinnigheid is nauwelijks groter dan die van andere religieuze profeten. Krankzinnigheid, zo heet het in de roman, is immers iets `wat alleen door zijn zeldzaamheid wordt bepaald. Als van honderd mensen er vijfennegentig krankzinnig zijn, dan zijn niet die vijfennegentig krankzinnig, maar de vijf die het niet zijn'.

Daarmee is de waarheid, per definitie afhankelijk van objectieve criteria, zoek. Vandaar dat Ferdinand, de mesties die het heeft gebracht tot zenuwspecialist in Memphis en door wie Onitah wordt behandeld, in een gesprek met haar halfbroer Jerobeam kan zeggen: `De ene wereldbeschouwing is de andere waard (...) De ene doodsproblematiek is even hersenschimmig als de andere. Wie heeft er gelijk? Het is even onzinnig of ik het ben die gelijk heeft, of zij'.

Hetzelfde geldt voor het incest-motief dat in de roman zo'n belangrijke rol speelt. Onitah is verliefd op Jerobeam die het op zijn beurt houdt met haar zuster Isabel. Wanneer Isabel last krijgt van wroeging, zegt hij: `Waar hebben wij tegen gezondigd? Tegen een op niets gefundeerd, primitief vooroordeel, een taboe zonder meer. Wie bewijst dat wat wij gedaan hebben objectief ziekelijk was of krankzinnig? En bovendien ben ik alleen je half-broer. Als ik dat ben. Je weet hoe mijn moeder was...' Dat uiteindelijk zowel Jerobeam als Ferdinand, na de zelfmoord van Onitah en het echec van haar balseming, in het gekkenhuis eindigen, zegt alleen iets over de verhouding tussen meerderheid en minderheid.

Hermans' sympathie ligt in dit geval, zo krijg je de indruk, bij de minderheid,bij het `medelijden' dat Onitah zegt te voelen, zonder er raad mee te weten, bij de berustende scepsis van Jerobeam, die er niet in slaagt zich thuis te voelen in de moderne beschaving, bij de sadistische minnaar Ferdinand, die Onitah na haar zelfmoord balsemt en krankzinnig wordt (ook hij waant zich nu een `messias') als haar lichaam toch blijkt te zijn weggerot. Voorbij goed en kwaad hebben deze personages tenminste hun driften gevolgd, tegen de heersende conventies in. Als de helden van een echte schrijver zijn zij, zoals Hermans het in zijn poëticale essay `Antipathieke romanpersonages' uit 1960 zou uitdrukken, `de incarnaties van de wilde jungle-dieren die onder de dubbele bodem van de menselijke ziel huizen'.

Toch belichamen deze personages niet het laatste woord van de roman. Dat is voorbehouden aan de verteller, die als een alwetende god over zijn verzonnen universum regeert. Zelfs over een scheepsramp waarvan `niemand ter wereld' ooit heeft gehoord, weet hij te berichten. Al in Hermans' eerste roman is de paradox aanwezig die zijn hele oeuvre kenmerkt: namelijk dat (afgezien van de natuurwetenschap) alleen de literatuur in een wereld vol misverstand en bedrog de waarheid kan zeggen, een waarheid die juist het misverstand en het bedrog zichtbaar maakt. In de bundel Over Conserve twisten de neerlandici erover of je dit in Conserve nu een epistemologisch `nihilisme' of `scepticisme' moet noemen. Het verschil tussen beide wordt echter van ondergeschikt belang, zodra je de strategische inzet van Hermans' schrijven onderkent, ook in zijn romandebuut. Zijn waarheid is in de eerste plaats een verweer tegen de verabsoluteringen die anderen aan hún waarheden toekennen, en dan maakt het niet zoveel uit dat zijn eigen waarheid in feite zichzelf in de staart bijt.

In latere, minder fantastische, meer realistische en ook meer psychologische romans als Ik heb altijd gelijk, De donkere kamer van Damocles en Nooit meer slapen zal Hermans zijn polemische, ontluisterende wereldbeeld misschien overtuigender en meeslepender weten uit te drukken, met personages die een minder mechanische indruk maken dan Onitah, Jerobeam en Ferdinand, wier avonturen volledig van de willekeur van de schrijver afhankelijk lijken te zijn. Desondanks blijft het verbluffend om te zien hoezeer de latere Hermans al aanwezig is in deze eerste roman, die daarom ten onrechte van het lezerspubliek een stief-moederlijke behandeling heeft gekregen.

Willem Frederik Hermans: Conserve. Conserve. 239 blz. ƒ 49,95 Over Conserve. De eerste roman van Willem Frederik Hermans. Kritieken en essays, samengesteld door Kees de Bakker. Conserve, 145 blz. ƒ29,95