Bella?

Zeven Oscar-nominaties kreeg La vita è bella maar liefst. Zeven kansen op een Academy Award : er is geen hogere wiskunde voor nodig om te berekenen dat deze film een of meer van die beeldjes gaat winnen.

Dat zal in de eerste plaats tot groot genoegen zijn van de organisatie van het gala op 21 maart. Want Roberto Benigni - regisseur, producent, scenarist en hoofdrolspeler van deze film en in al die categorieën genomineerd - dat is altijd lachen. Benigni is de gedroomde Hollywood-hofnar. Clownesk en pittoresk, oppervlakkig want nonverbaal (hij veinst nog altijd nauwelijks Engels te spreken) en met een hoop o zo televisiegeniek lawaai. Een Italiaan zoals de Amerikanen ze graag hebben. Lollig zoals een driejarige peuter lollig is. Goed voor de Show.

Goed voor zijn eigen show. La vita è bella, in de bioscopen in gewijde stemming aangegaapt door een publiek dat niet weet waar het moet blijven van gepaste bewondering, is een draak die voor alles Roberto Benigni propageert. Hij speelt zijn rol als een conferencier, met monotone series zich herhalende grappen (hoezo een Oscar-nominatie voor de beste mannelijke hoofdrol?), grofweg in de breedte aan elkaar gefrutseld (hoezo een nominatie voor de beste montage? en had die genomineerde muziek daar niet bij moeten helpen?). Geen kans laat hij voorbij gaan om zichzelf te etaleren als de meest charmante acteur hem bekend (hoezo nominatie voor de beste regie?). Zijn verhaal kneedt terreur tot hanteerbare cliché's en slaat de complete film uit het lood door de maalstroom te ontkennen die de levens van de personages vermorzelt (hoezo nominatie voor het beste scenario?).

Hoezo die Oscarnominaties voor de beste (buitenlandse) film? Omdat, werd me verzekerd, nog nooit een cineast het heeft aangedurfd om de holocaust onderwerp te maken van een komedie. Zoiets wordt door publiek en kritiek hogelijk gehonoreerd, ook als het blijft bij een onvolmaakte poging.

Mag ik dan wijzen op twee films van Europese cineasten die iets vergelijkbaars hebben ondernomen, met heel wat meer gratie, inhoud en raffinement? De ene dateert van 1940. Hij heet The Great Dictator en werd gemaakt door Charles Chaplin. De vernietigingskampen komen er niet in voor - zelfs Chaplin ontbrak het aan fantasie om die te vermoeden. Maar de terreur is levensgroot aanwezig, en de weerzinwekkende waanzin van het Derde Rijk en haar leiders wordt belachelijk gemaakt in oerkomieke scènes, zonder gelegenheid te geven om niet verontrust te zijn. De andere werd in 1942 gemaakt door Ernst Lubitsch en heet To Be or Not to Be. Lubitsch kende het nazi-kwaad niet tot in de details, maar hij wist meer dan Chaplin. Anders dan Benigni met zijn behaagzieke gebbetjes, creëerde hij harde grappen. Hij voert een kampcommandant op die er trots op is dat zijn bijnaam `Concentration Camp Ehrhardt' is en die pocht: `The Poles do the camping, we do the concentrating'. Over de schreef, maar zo geregisseerd dat er doel wordt getroffen.

Roberto Benigni vervatte de holocaust in een feelgood-movie, met quasi-Italiaanse gein voor de grote massa en Zuideuropese artistiekerigheid voor de intellectuelen.

Hollywood had een aparte categorie voor Benigni in het leven moeten roepen: de Oscar voor het beste exportartikel.