Altijd al eigengereid

Te Rome zetelde `de Opperste Leidsman en onkreukbare Leermeester, die waakt over de godsdienstige belangen van ons verre land', schreven W. Nieuwenhuis en andere journalisten van het katholieke dagblad De Maasbode in 1912. Deze tekst, inclusief het gebruik van hoofdletters, kan moeiteloos door andere toenmalige lofprijzingen en betuigingen van gehoorzaamheid worden vervangen. Voor ruim eenderde van de Nederlandse bevolking was de paus in de negentiende/begin twintigste eeuw in alle toonaarden kerkvorst en charismatisch leider. En waar deze tonen behoren tot een religieus repertoire, zijn verering en toewijding niet alleen uitzonderlijk maar ook uitzinnig.

`Aan U, o Koning der Eeuwen' zongen in 1871 de deelnemers aan de zogeheten Parkmeeting in Amsterdam in 1871 paus Pius IX toe na de val van `zijn' Rome. Het was de eerste openbare manifestatie van een politiek katholicisme in Nederland. De triomfantelijke tekst was van de priester Herman Schaepman, de melodie van Johannes Verhulst, die als liedcomponist betere tijden had gekend. De hymne zou bijna een eeuw min of meer fungeren als het volkslied van een katholieke minderheid. Want deze toewijding aan de kerkleider aan gene zijde van het Alpengebergte had ook een samenbindende kracht. Het ultramontaanse geloof verenigde diverse rangen en standen, ook de gelovigen van noord en zuid.

Het bleef in deze pausverering niet bij woorden. Nederland bracht in de decennia van 1860 en 1870 zo nu en dan vijf percent op van de in de katholieke wereld verzamelde giften voor het Vaticaan, de zogeheten Pieterspenning. Het geld was nodig om de teruglopende inkomsten uit de verdwijnende Kerkelijke Staat te compenseren. Van de elfduizend zouaven, die in Europa rondom 1870 zijn gerecruteerd om het pauselijke Rome te verdedigen tegen de Italiaanse eenheidsbeweging, waren er drieduizend van Nederlandse herkomst.

Schuilkerk

De vraag waarom juist in Nederland de adhesie aan de paus zo intensief werd beleefd, werd tot dusver beantwoord met een verwijzing naar het verleden van de onderdrukking en de schuilkerken – in het bijzonder naar het jansenistische conflict, waardoor in de achttiende eeuw een deel van de katholieke kerk in de Hollandse Zending zich van Rome afkeerde. Dat antwoord behoeft correctie en aanvulling, nu de resultaten van een studie in de Vaticaanse archieven bekend zijn geworden. Op de betrekkingen tussen de Heilige Stoel en het Nederlands katholicisme in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw is onlangs de historicus J.P. de Valk gepromoveerd met de dissertatie Roomser dan de paus? Het vraagteken is onnodig. De titel lijkt een ontkenning van de inhoud. Want roomser dan de paus kon in de beschreven periode het katholieke volksdeel in Nederland niet zijn. Integendeel, het werd in een voortdurende campagne tot verering voor de paus opgewekt en die campagne werd vanuit het Vaticaan geleid. Daartegen keerde zich, voor zover dat mogelijk was, een streven naar zelfstandigheid van de Nederlandse bisschoppen. Ook in Nederland blijkt, gelijk in de Europese buurlanden, de eigen nationale traditie nog vaak nader dan het Vaticaanse centralisme.

De pauscampagne in deze periode was internationaal en in allerlei opzicht georkestreerd. In doctrinair opzicht betekende ze een geestelijke mobilisatie van de gelovigen voor een versterking van het centrale pauselijk gezag met als apotheose de afkondiging van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid. In financiële zin werden de relaties aangewakkerd door een intekening op Vaticaanse leningen en intensieve inzamelingsacties van Pieterspenningen. De campagne leidde ook tot een opwaardering van de internuntius, de pauselijke gezant, die bij kerkelijke feestelijkheden in Nederland steeds meer als de belangrijkste bisschop werd ingehaald, tot verdriet of ergernis van de echte bisschop.

Ook voor de Nederlandse bisschoppen was de paus het symbool van een universele kerk: een voorbeeld dus, maar dan wel een in de verte. De aanvaarding van dit centrale leergezag ging daarom gepaard met een grotere nadruk op zelfstandigheid in de besluitvorming in het eigen bisdom. Anderzijds, aldus De Valk, leidde de Vaticaanse mobilisatiecampagne tot een `onweerstaanbare groei' van katholiek zelfbewustzijn en communicatie op nationaal niveau. De diocesane grenzen en de tegenstelling tussen noordelijk en zuidelijk katholicisme, vervaagden achter de vaderlandse pausverering, al bleef de tweede wel voelbaar. De bisschoppen moesten soms achter deze muziek aanlopen in plaats van het initiatief te behouden van een beheersbare adhesie.

Martelaren

Het verschil tussen Vaticaanse doortastendheid en Nederlandse terughoudendheid kwam bijvoorbeeld tot uiting in de heiligverklaring van de priesters die bekend staan als de `Martelaren van Gorcum'. Het verhaal van hun ophanging door de Watergeuzen na de inname van Den Briel in 1572 kreeg nieuwe aandacht, toen de katholieken in de negentiende eeuw hun aandeel gingen opeisen in de vaderlandse geschiedenis. De Valk heeft ontdekt, dat het initiatief voor hun canonisatie niet afkomstig is geweest van Nederlandse bisschoppen maar van de paus zelf (de strijdbare Pius IX) en van de franciscaner orde, die de medebroeders onder de martelaren wilde doen verheffen.

Tot dusver werd aangenomen, dat de heiligverklaring van deze martelaren een pauselijke tegenprestatie was voor de betrekkelijk grote hoeveelheid Pieterspenningen en zouaven. De context van deze plechtigheid op 29 juni 1867, waar voor het eerst in de moderne geschiedenis een grote menigte op het Pietersplein was verzameld, was een andere: contrareformatorisch wapengekletter. Een vroege compensatie voor het toen al als onontkoombaar beschouwde verlies van de Kerkelijke Staat aan de Italiaanse eenheidsbeweging. Op deze bijzondere feestdag van Petrus en Paulus werd, naast de Nederlandse martelaren, ook een Spaanse grootinquisiteur heilig verklaard, die in Aragon vier- tot zesduizend ketters op de brandstapel had gebracht alvorens te worden vermoord.

De Nederlandse bisschoppen waren traditioneel huiverig voor zoveel triomfalisme tegen de Hervorming. Bovendien ging de canonisatie vergezeld van Vaticaanse tekst en uitleg, waarin de Nederlandse Opstand werd beschreven als een consequentie van calvinistische ketterij. Dat was in andere bewoordingen eveneens de groot-protestantse visie op de vaderlandse geschiedenis. Maar het paste niet in de katholieke pogingen om deze opstand ook te zien als vrijheidsstreven en om daarin een katholiek aandeel op te eisen. De Vaticaanse bul moest op last van de Nederlandse bisschoppen worden herschreven. Dat gebeurde niet, maar men vond er een andere roomse oplossing voor: de bul werd niet gepubliceerd.

In de pauselijke encycliek waarmee in 1910 de Milanese aartsbisschop Carolus Borromaeus werd herdacht als bestrijder van de Hervorming, werd opnieuw het protestantisme als bron van alle moderne kwaad beschreven. Dit keer werden ook de protestantse vorsten genoemd als `meest verdorven'. Dat kwam het Nederlandse katholicisme te staan op een woedebui van koningin Wilhelmina, die tot ver buiten de muren van paleis Noordeinde was te horen. Toch bleken Vaticaanse interventies niet steeds onheil op te leveren. De stichting van een katholieke universiteit in Nijmegen (1923) bijvoorbeeld is, zo blijkt nu, mede door pauselijk toedoen gerealiseerd. Ze kan dan ook worden geïnterpreteerd als een doelbewuste poging van Rome om de kwaliteit van de theologie in Nederland, al te zeer gebonden aan een gesloten seminariecultuur en de vrees voor wetenschappelijke confrontaties, te verhogen.

Esthetiek

De Valk kent als geen andere Nederlandse historicus (met uitzondering misschien van J.A. Bornewasser) de weg in de archiefkelders van het Vaticaan. In de gedegenheid van zijn onderzoek naar de bestuurlijke relaties tussen Rome en de Utrechtse kerkprovincie ligt de verdienste van de studie. Maar het Vaticaan is niet alleen een kerkelijke bureaucratie met de daarbij passende intriges, maar ook het centrum van een cultus met zowel psychologische als esthetische dimensies. En die worden in dit boek onderbelicht.

In de schaduw van het Vaticaanse centralisme bloeide, in contrast met het Belgische katholicisme, een zekere Hollandse bestuurlijke verdraagzaamheid. In de jaren 1815-1830, toen de noordelijke en zuidelijke Nederlanden in één koninkrijk verenigd waren, was de katholieke godsdienst die van een meerderheid. Het kerkelijk verzet tegen de protestantse Oranjevorst werd geleid door de bisschop van Gent, Maurice de Broglie, die achter zijn conservatieve oppositie tegen godsdienstvrijheid in de nieuwe staat een voorkeur verborg voor aansluiting van de zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk en die via bijzondere relaties het Vaticaan poogde te winnen voor het ongedaan maken van moderne rechten. Tevergeefs.

De Valk weet duidelijk te maken, dat de Zuidnederlandse kerkelijke tegenstand in eerste instantie werd gebroken door een groep van Noordnederlandse katholieken met als centrale figuur Cornelis van Bommel, de latere bisschop van Luik. Zij konden op gezag van aartsbisschop F.A. de Méan van Mechelen, toen gesierd met de titel van `primaat der Nederlanden', een opvatting bepleiten, waarin de constitutionele vrijheid van godsdienst juist werd aanvaard, omdat dit beginsel de kerken een eigen domein moest verschaffen. Het was een vroege toepassing van wat later in de eeuw door de antirevolutionair Abraham Kuyper `souvereiniteit in eigen kring' zou worden genoemd en was ontleend aan de schuilkerk en de minderheidspositie van het Noord-Nederlandse katholicisme.

Deze Hollandse tactiek werd spoedig achterhaald door de escalatie van het kerkelijk conflict en de Belgische revolutie van 1830. Op een verbond tussen liberalen en katholieken is de Belgische grondwet geschreven. Opmerkelijk is, dat het Noord-Brabantse Kamerlid Van Sasse van Ysselt, die met zijn provincie koos voor `oud-Nederland', voor het noorden eenzelfde meerderheidsstrategie bepleitte van katholieken en liberalen, waardoor beginselen als de vrijheid van godsdienst in een nieuwe grondwet konden worden vastgelegd. In 1830 was die strategie niet uitvoerbaar. Het wachten was op 1848, op de nieuwe generatie van Thorbecke's liberalen.

Uit deze studie valt te leren, dat zich in het Nederlandse katholicisme een zekere traditie van behoedzaamheid en verzakelijking van tegenstellingen had gevestigd ruim voordat deze in de verzuiling tot nationale deugden werden verklaard. Ze was uit een geschiedenis van schuilkerken te verklaren, maar was ook na de terugkeer van katholieken in het publieke domein in de negentiende eeuw blijven voortleven. Terwijl buiten en luid de paus werd vereerd, bleef binnenskamers de zelfstandigheid gezocht.

J.P. de Valk: Roomser dan de paus? Studies over de betrekkingen tussen de Heilige Stoel en het Nederlands katholicisme 1815-1940. Valkhof Pers, 408 blz. ƒ59,50