Als een aan de horizon verankerd schip

Op uitnodiging van een uitgeverij schreven vier auteurs een boekje over hun Haarlemse jaren. Vormende jaren waren het: op de HBA aan de Raaks werd J. Bernlef voor het eerst door Gorters `Mei' in zijn middenrif getroffen, Renate Stoute loopt scheldend langs haar vroegere MULO.

Op weg naar de kleuterschool in de Haarlemse Velserstraat kwamen mijn zusjes en ik vaak een ventje van drie tegen. Op onze vraag hoe hij heette, antwoordde hij steevast: `Prikkeldraad!' Wij vonden dat een geheimzinnig antwoord maar deden geen moeite het geheim te ontrafelen. In oorlogstijd waren er meer dingen waar je het fijne niet van wist. Zoals luchtalarm. Als de sirenes begonnen te loeien, schuilden we in `De Vooruitgang', een coöperatieve bakkerij met een imposante schoorsteen, gebouwd door mijn grootvader die aannemer was. Tot opluchting van J. Bernlef is de schoorsteen, `die dreigend uit mijn jeugd omhoogrijzende wijsvinger', verdwenen. Vanuit de tuin van zijn grootouders in de Jelgersmastraat keek de jonge Bernlef naar het gevaarte en hij was bang dat het op een dag op hem zou vallen.

De uitnodiging van de Haarlemse uitgeverij Gottmer aan vier schrijvers met een Haarlems verleden om hun verhouding met deze stad te verwoorden, geeft mij de kans met deze auteurs een wandeling te maken door mijn geboortestad en in een enkel geval mijn herinneringen aan de hunne te haken. De vier boekjes kwamen uit in de Muggenreeks. Voor wie het niet weet: een echte Haarlemmer noem je `een Haarlemse mug'.

Bernlef schrijft in zijn boekje Onbewaakt ogenblik: ,,In de werkelijkheid van mijn geheugen zijn alle huizen door een geheim en zich ieder moment wijzigend gangenstelsel met elkaar verbonden.'' In Bernlefs gangenstelsel geuren de eierkolen bedwelmend naar gas en golft de speculaasgeur de bakkerij uit. We staan er stil bij het gezondheidszadel op de fiets van tante Livia. De vraag waarom zo'n zadel gezond was voor tantes, rees na jaren weer huizenhoog voor me op.

Het Haarlem van Bernlef gaat over sport en muziek. Kostelijk is de beschrijving van Eppie van den Berg, de vliegende keep van voetbalclub EDO die geheel uit verdedigers bestond. ,,Wanneer Eppie uittrapte, rende hij meteen achter de bal aan en speelde mee.'' Bernlef voetbalt ook, in een paar afgedankte rijlaarzen waarvan de punten gedurende het spel overeind kwamen te staan. Hij verspeelde zijn verkering toen hij met die laarzen de bal in eigen doel trapte.

Op de HBS aan de Raaks (weer zo'n Malle Babbe-woord!) kwam de voordrachtskunstenaar Albert Vogel de Mei van Herman Gorter voordragen. Bernlef: ,,En net als in de Sint-Bavo, toen de onzichtbare Albert de Klerk de muziek van Bach tot een fysieke gebeurtenis transformeerde, werd ik door de Mei allereerst in mijn middenrif getroffen.'' Toen Albert Vogel mijn school, het Coornhert Lyceum aandeed, speelde hij in zijn eentje de forum-scène uit Shakespeares Julius Caesar. Mijn middenrif bleef ongerept.

Schatkist

De skyline van Haarlem wordt nog steeds gedomineerd door het glorieuze silhouet van de Sint-Bavo. `Als een aan de horizon verankerd schip,' schrijft Bernlef. 'De hoog opgaande schatkist op de Grote Markt,' schrijft Kester Freriks in De bruid van Elswout. Die ellendige Haarlemse gemeenteraad ging ooit akkoord met een voorstel dat stadsgezicht te ruïneren met een torenhoog profijtcomplex vlak naast de kerk. `Gezicht op Haarlem, vóór de bouw van Appelaerstaete' zou Ruysdaels beroemde schilderij voortaan heten.

In de Sint-Bavo zit Bernlef naast zijn grootvader op de hard-gematte stoelen, dezelfde waarop mijn zussen en ik jaarlijks drie uur in de Paaskou met de Mattheüs meebloedden. Voor de jonge Bernlef ontsnappen licht, ruimte, geluid en stilte aan hun dagelijkse betekenis als de organist na een fuga van Bach overgaat in improvisatiespel. Het is een sensatie waarbij hij het gevoel krijgt zelf gewist te worden en later op straat ziet hij dat alles in de wereld los van elkaar bestaat.

Aan de pianojuf in de Jan Haringstraat zijn Bernlefs nieuwe opvattingen over improvisatiespel niet besteed. `Speel maar wat er staat!' De neef van een vriendje weet anders. Hij improviseert voor hem op de piano: jazzmuziek. `Mezelf geleerd. Ik kan niet eens noten lezen.' De neef zet een plaatje op van Lennie Tristano. ,,Toen gebeurde het. Het gevoel alsof je plotseling een bloedtransfusie krijgt toegediend. Alles stortte ineen maar werd binnen zes minuten weer, maar nu totaal anders, opgebouwd.'' Het is prachtige spiegeling van Bernlefs ervaring in de Sint-Bavo. En het geeft inzicht over hoe een jong mens tot groter daden en genietingen komt als hij zijn antennes uitklapt en het lef heeft de zojuist verworven regels en vastigheden overboord te gooien. Heel consequent laat de schrijver zijn eigen herinneringen aan het slot van het boekje oplossen in een schilderij van Kees Verwey.

Couperus

Frédéric Bastet kennen we als de biograaf van Couperus en de schrijver neemt in De kat uit de boom elke gelegenheid te baat om zijn held het Haarlemse binnen te smokkelen. Haarlem wordt er een beetje Haagser van en dat kan geen kwaad, ook niet voor het boek. De skyline van Bastets jeugd wordt gedomineerd door de andere Sint-Bavo, de kathedraal met zijn flauw gebogen koepel aan de Leidsevaart, voltooid in 1930, ontworpen door Joseph Cuypers.

In Huize Bastet (van dezelfde Cuypers) is godsdienst er voor de werkster en kinderrijkdom voor arme mensen. Toch is de schrijver royaal genoeg om in zijn boek de armen het woord te gunnen als ze zijn moeder bij een tante in de Wilhelminastraat beloeren: ,,Hé, joh, kom kijken! De rijkdom vreet taart!'' Bastet herinnert zich een andere visite in die straat: ,,We zaten dan als bij Bakker Korff om de ronde tafel, met zijn afhangend groensaaien kleed. De theestoof op wieltjes werd aangeschoven. Mevrouw was broos en fijn, als haar naam, en even teer waren de blauwe Chinese kopjes. Uit een zilveren trommeltje kreeg je een krakeling of een Haarlemmer halletje, vers van de bakker die De Dood heette.''

Voor een vermakelijk buurtonderzoek is Bastet je ware. Een straat verder woonde juffrouw Wafelbakker wier zuster een beauty parlour dreef. Daarbij werd ze door een Haagse jonker gemainteneerd (Je maintiendrai!) wat haar niet weerhield de dienstbode van de Bastets het hof te maken. Genoeg te doen aan de zomen van de Haarlemmerhout, vlakbij het paleisje van de Koenigs met de vermaarde collectie, vlakbij de weldoenster op de Baan die een knooppunt bestierde van anti-vivisectie, agnostisch pacifisme en vegetarisme. Ergens bij de Haarlemmerhout woonde ook Harry Mulisch. `Hij zat een klas lager dan ik. Soms kwam zijn moeder hem van school halen, als ik het wel heb met een twoseater.' Zij was een `exotisch kleurige vogel, verdwaald tussen de doorsnee bruine moederhuismussen die in het Haarlemse de toon aangaven'. Uit eigen waarneming beschrijft Bastet de `overjarige grootheid' Lodewijk van Deijssel: `een en al nek, vooral als je hem schuin op de rug zag. Een foetale nek die naadloos overging in dat zware hoofd.'

Trapezewerker

In de oorlog tobt Bastet voort op de verkeerde school. ,,Je had nog beter trapezewerker kunnen worden.'' Duizenden joden op transport en de Nederlandse les gaat over de familie Kegge uit de Camera Obscura. Zijn broer wordt opgepakt. Hij zal niet meer terugkeren. Als de gruwel zo dichtbij komt verschrompelen de zwierige zinnen van Bastet tot korte, documentaire frasen. Soms schrijft hij erbij: te beknopt. Maar hij kan niet anders.

Bastet geeft een schat aan geestige informatie over het Haarlemse kunstenaarsleven van vlak na de oorlog. De beschrijving van Van Deijssels vijfentachtigste verjaardag is memorabel (`Iedereen die er was is dood'), de roemruchte Haarlemse kunstenaarssociëteit noemt hij `volière Teisterbandt' en heerlijk is zijn schildering van de Weense pianoleerling van Karel de Jong die `pompte met de pedalen alsof ze met een aftandse Bugatti de bocht trachtte te nemen'.

Door zijn vriend Joop Santen wordt Bastet geïntroduceerd bij de nestor van de Haarlemse schilders, H.F. Boot. (Mijn moeder heeft schilderles van hem gehad in de weilanden bij Spaarndam.) Boot was een legendarische figuur die met zijn kromgegroeide hoofd als een heilige, peukenrapend door de Heiliglanden waarde, op weg naar zijn totaal vervuilde atelier. Boot en Bastet, beiden classicus, ontmoetten elkaar in `de kleine Brinkman' aan de Tempeliersstraat. Boot noemde Couperus een ijdeltuit, oud-leerling Kees Verwey een querulante vent. De schilderachtige ruzie te Rome tussen Verwey en geëngageerd toneelmaker Albert van Dalsum is daarvan een prachtige illustratie. Aan het slot van zijn Haarlemse herinneringen constateert Bastet dat er veel wordt gestorven in de natuur. Al die doden. Wat rest de trouwe biograaf dan te eindigen bij de crematie van zijn held Couperus: `Er was heel wat olie nodig om de cosmopoliete Hagenaar te verassen: vierentachtig liter om precies te zijn.'

Wehkampcatalogus

De bruid van Elswout is de bijdrage van Kester Freriks aan de Muggenreeks. In het begin is zijn boekje nogal springerig. Het lijkt of Freriks zich in verband met de opdracht genoodzaakt ziet zijn erotische escapades op de plattegrond van Haarlem te plakken. Hoofdpersoon Lucas Ravelijn `hield van geperverteerde tragedies'. Ergens anders: ,,Zijn gevoeligheid was weer eens moordend die dag; sensualiteit trilde tot in zijn vingertoppen.'' Daarna wordt het voor boven de achttien: ,,Vrouwen zou hij willen bestellen als uit de Wehkamp-catalogus.'' ,,Fruitige bruiden moeten geschaakt worden.''

Lucas Ravelijn breekt met jeugdvriend Menthe Zeltek die zijn vriendin heeft afgepakt. Er heeft nog geen Auseinandersetzung tussen de twee plaatsgevonden en dat zit Ravelijn dwars. Hij doolt door Haarlems stegen, zwerft over `Krocht, Verwulft en Raaks,' spreekt vrouwen aan, mijmert in café De Wolkenridder over `de rusteloze bruiden van de Spaarnestad, ontmaagd in veelvoud, driewerf in het huwelijk getreden, de huwbare leeftijd al lang voorbij'. Voor hen is de kroegentocht `een uit wanhoop geboren roofjacht'.

In Waarom ik geen bloemenmeisje werd van Renate Stoute (voorheen de schrijver René Stoute) zorgt de degelijke Haarlem-haat van de hoofdpersoon voor een prettige duidelijkheid. ,,De gedachte dat ik later een beroemd en geliefd bloemenmeisje zou worden, schonk mij meer troost dan wie ook kon bieden''. Aldus een jongetje uit de Leidsebuurt. Als hij op latere leeftijd de vrouw geworden is die hij wist te zijn, keert hij als Susanne Bender een avond terug naar de ruige buurt aan gene zijde van de Leidsevaart waar zijn `aangevreten wortels met de zenuweinden bloot liggen'. Susanne wil naar de reünie van haar lagere school want ze zoekt nieuwe herinneringen als vrouw, nu ze de herinneringen uit haar jongenstijd verdrongen heeft.

,,Ik liep naar buiten, kriskras tussen de bussen over het foeilelijke Stationsplein, in de richting van het Kenaupark.'' Ze komt langs de praktijk van haar vroegere jeugdpsychiater, langs de Raaks, een bolwerk van zoveel onderwijs-ellende. ,,Wat een kutschool!'' zegt ze tegen haar vroegere MULO. Ze komt langs het stuk braakland waar vroeger de Krelagehal, danspaleis van de jaren zestig stond. Ze loopt langs de kleine Sint-Bavo (dwars door het uitzicht van de familie Bastet) de beruchte Leidsebuurt in.

Als zij voor haar vroegere school staat, blijkt ook die te zijn omgebouwd en wel tot een nieuwbouwbejaardenvoorziening. Susanne gaat zwerven, ze steekt de Westelijke Randweg over en komt in Overveen. Graag zou ze doorgelopen zijn naar de uitspanning Kraantje Lek, maar verder dan verbaal aantikken komt het niet want het is al te laat. Voor de Muggenreeks volstaat dit echter.

In de eerste week van maart komen twee nieuwe delen in de Muggenreeks uit. Van Louis Ferron verschijnt `Hier ligt Boot, ca. 100 blz, ƒ32,90. Van Geerten Meijsing `Kerstnacht in de kathedraal', ca. 100 blz. ƒ32,90.

Frédéric Bastet: De kat uit de boom. Gottmer, 131 blz. ƒ32,90

J. Bernlef: Onbewaakt ogenblik. Gottmer, 79 blz. ƒ26,90

Kester Freriks: De bruid van Elswout. Gottmer, 141 blz. ƒ32,90

Renate Stoute: Waarom ik geen bloemenmeisje werd. Gottmer, 87 blz. ƒ26,90