Ah, eindelijk iets met tempo

Begin deze week organiseerde Ronald-Jan Heijn in Amsterdam een concert met `Hemelse Muziek'. Rob Zuidam liet zich wegdrijven in een oceaan van vrijblijvendheid.

Het was 1974. Tijdens de rust van de roemruchte WK-finale tegen West-Duitsland stond ik als negenjarige op het toilet van de ouderlijke stacaravan en prevelde al urinerend een gebed: ,,Lieve God, als jij werkelijk bestaat, zorg dan dat Nederland wint en ik zal je eeuwig dankbaar zijn''. Voor een Almachtige leek me dit verzoek toch vrij eenvoudig in te willigen. Het procédé had ik afgekeken van het zangduo Gert en Hermien (de duiven op de Dam, tralalalie, tralalala). In een artikel in een destijds gezaghebbend roddelblad vertelde Gert dat hij op een briefje had geschreven dat God zou bestaan, als het de volgende dag zou gaan onweren. En verdomd: zulks geschiedde. En na het verstommen van de donder in gindse verte, vlijden zij zich terstond devoot aan Zijn voeten en weenden. Mijn smeekbede heeft, zoals bekend, weinig mogen baten. Het scorebord bleef onvermurwbaar steken op 2-1. Hij, die in een handomdraai complete steden onder een stenenregen kon verpulveren, had niet even de Duitse defensie als aan de grond genageld kunnen doen staan. Geen splijtende dieptepass, geen onterechte strafschop in blessuretijd, desnoods. Niets, totale radiostilte. Misschien, zo dacht ik, was mijn verzoek niet krachtig genoeg geweest, had ik het op moeten schrijven. Misschien was er door de tegenpartij in groepsverband gebeden. Of was-Ie beledigd vanwege de weinig eerbiedige houding die ik tijdens mijn gebed had aangenomen en was het mijn schuld dat we hadden verloren? De krap bemeten ruimte bood echter geen enkele gelegenheid tot knielen, overgeven kon je er uitsluitend met de deur open. En als ik mijn daad in de openbaarheid had verricht, dan had men mij vast en zeker voor gek versleten. Sinds die dag weet ik het: God is onverschillig. Hij is net zo goed met ons, als met die anderen.

Beelden, flarden en mijmeringen spoelen af en aan door mijn hoofd, als golven op het strand, terwijl de behaaglijk glooiende strijkersmotieven van Arvo Pärt's Fratres zich geleidelijk ontvouwen. Hemelse Muziek wordt er in het Concertgebouw in Amsterdam gespeeld, door het ensemble I Fiamminghi. ,,In deze postmoderne tijd komen onze Vlaamse zuiderburen tegemoet aan mystiek en religieus gekleurde muziek, die de luisteraar in hogere sferen brengt'', zo voorspelde de organisator, Oibibio's Ronald-Jan Heijn. Een aankondiging die als geroepen kwam. Juist die maandagochtend had de horoscoop van de Telegraaf ge-orakeld dat de vroege Weegschaal, c'est moi, onder invloed stond van Neptunus: ,,Vandaag zal dit zich uiten in een grote interesse voor het spirituele. U kunt zich hier rustig aan overgeven, want rust overheerst.'' Voeg hier nog de mededeling aan toe dat het concert gepaard zou gaan met projecties en lichteffecten, en een bezoek vooraf aan wat smartshops leek me alleszins gerechtvaardigd. Voor een hemelvaart moet je tenslotte goed beslagen ten ijs komen. Daar zit ik dan, vergezeld van mijn New Age-consulente E., op rij 31, in afwachting van de verheffende werking van de muziek en de paddo's. Eenendertig is een goed getal, volgens E. Ik vind alle getallen fijn, zolang het er maar niet te veel worden.

Loftrompet

Als God onverschillig is, houdt Hij dan wel van muziek? Dat is zeer de vraag. André Rieu of het Vioolconcert van Alban Berg, het zal Hem waarschijnlijk om het even zijn. Religie houdt van muziek, dat staat vast. Er is geen geloof te bedenken dat niet op de een of andere manier gebruik maakt van muziek. Van Tibet tot Timboektoe schalt men de loftrompet over de schoonheid van de schepping, het mirakel van het leven en als dankbetuiging voor Zijn bewezen diensten. Zelfs de overigens zo zwijgzame Karthuizer monniken komen eens in de week samen voor het zingen van een middaggebed. Religie is dus afhankelijk van muziek als drijvende kracht. Het omgekeerde is niet het geval. Natuurlijk, muziek en spiritualiteit zijn nauw met elkaar verbonden, wellicht zelfs sterker dan in alle andere kunsten.

Maar spiritualiteit is een persoonlijke aangelegenheid, de verinnerlijking van het individu. Spiritualiteit is geen religie. Sinds we niet meer en masse naar de kerk gaan, is muziek op zich, en concertbezoek in het bijzonder, geleidelijk een functie van substituut-religie gaan vervullen. De dirigent komt op en ontvangt een balsemend applaus, alvorens hij de stoffige perkamenten rollen openslaat en voordraagt uit de Heilige Schrift. Het is geen nieuwe trend: op 14 april 1922 vond in de Grote Kerk van Naarden de eerste uitvoering van de Matthäus Passion door de Nederlandsche Bach Vereeniging plaats. Sindsdien is dit een jaarlijks terugkerend defilé van hoogwaardigheidsbekleders, die zich als dorstige lammeren laven aan de overweldigende verbeeldingskracht van een bescheiden, Godvrezend toondichter.

Hierbij gaat het er meer om, om elkaar te zien, dan om het Eeuwige Licht te aanschouwen. Het verschijnsel muziek als substituut-religie zit hem in de samenkomst, het rituele. Het is als methadon voor het volk. Nu we elkaar niet langer elke zondag treffen, bestaat er de behoefte aan een ander soort samenzijn, aan het deelgenoot zijn van een gemeenschappelijke ervaring. Een samenzijn dat zich niet afspeelt in cyberspace, of in de gedeelde samenheid van het televisiescherm, maar in iets echts. Concreet en tastbaar. Dit gevoel van sacraal samenzijn kan ook worden opgeroepen door twintig Van Goghs of Vermeers bij elkaar in één ruimte te hangen en er dan met zijn allen langs te schuifelen.

De God van de New Age is wat somber. Nergens ontwaar ik de blijmoedige gelukzaligheid van een EO-Jongerendag. Het publiek, overwegend jonger dan de reguliere Concertgebouwganger, maar oud genoeg om de eerste maanlanding te hebben meegemaakt, oogt wat tobberig en introvert. Specifiek aan de vertolkte hemelse klanken zijn hun harmonische welluidendheid, de spaarzame melodiek en vooral het tergend langzame tempo van verandering. Het is als minimal music die ontdaan is van het pulserende ritme, als een fles cola waar de prik uit is. Deze houding komt niet voort uit lamlendigheid, maar is een doelbewuste keuze. Anders dan bij Boulez of Beethoven, waar je om de haverklap geconfronteerd wordt met wéér een nieuw akkoord, of een spitsvondige variant van het basisthema, biedt het ruimte aan innerlijke beschouwing. Juist doordat er helemaal niets gebeurt, kun je er heerlijk op wegdrijven. De muziek weeft een beschermend, gewatteerd laagje om de ziel, is als een steunkous voor het geschonden ego. De klanken bewegen zich als het ritme van de golven: fascinerend en slaapverwekkend tegelijk.

Balkanboerinnen

The Protecting Veil, van de met zijn blonde manen als een Griekse halfgod ogende John Tavener (1944), bevat in de tijdspanne van een half uur een paar keer wat snellere figuren in de strijkers. Daarmee is het met straatlengtes verschil het meest enerverende stuk van het programma. De klaagzangachtige muziek gaat vergezeld van filmbeelden van iconen, geprojecteerd op een scherm van zes bij zes meter, dat aan het hoofdeinde van de zaal voor het orgel is gespannen. Het visuele aspect van deze avond met Hemelse Muziek is ronduit knullig aangepakt, maar het kan mijn inmiddels danig vertroebelde geestesoog niet deren. De afgebeelde knokige Balkanboerinnen uit ver vervlogen eeuwen transformeren moeiteloos in kirrende geisha`s, die de voeten van het kindeke Jezus met fotorolletjes inwikkelen. E., mijn New Age-consulente, gehuld in een sarong en opengewerkte sandalen, leviteert inmiddels geheel in trance een vijftigtal centimeters boven haar stoel, dit zeer tot ongenoegen van de minder verlichte geesten op de rijen achter ons.

Het verschil tussen substituut-religie en echte religie ligt natuurlijk in het feit dat de kerk gratis toegankelijk is. Vanuit dit oogpunt is het dan ook alleszins billijk en rechtvaardig dat Ronald-Jan Heijn, indien hij op het spirituele vlak ook maar de geringste ambities koestert, categorisch weigert om tot uitbetaling van achterstallig loon aan zijn medewerkers over te gaan. Immers: ook in de Bijbel wordt er nergens gerept van CAO-onderhandelingen tussen Jezus en de discipelen. Bent u belazerd?! Heeft u Marcus of Johannes ooit wel eens over auteursrechten horen zeuren, of over onregelmatigheidstoeslagen als er ergens in Oost-Judea weer eens een lamme te genezen viel? Dat was allemaal liefdewerk, oud papier. ,,Kennen jullie die uitdrukking eigenlijk nog wel, stelletje lapzwansen?'' dat zou hij ze moeten voorhouden. Sterker nog : die Oibibiërs zouden hún schamele bezittingen moeten wegschenken aan Ronald-Jan en een tentenkamp moeten opslaan op de Martelaarsgracht, om zich aldaar permanent aan zijn goedertierendheid te onderwerpen. Uitbetaling geschiedt voortaan in shakra's, in een oplopende schaal. Met een maand bordenwassen verdien je één shakra. Er zijn er zevenduizend op je weg naar verlichting. Want daar ontbreekt het aan bij die lui: overgave, toewijding.

Halverwege de Derde Symfonie van Henryk Górecki ben ik stuurloos weggedreven op een oceaan van vrijblijvendheid. Mijn innerlijke stem, mijn wil, die ik door middel van meditatie amechtig het zwijgen op had moeten leggen, houdt het geen seconde langer meer uit: daar doemen door de druilerige Poolse mist de eerste flarden al op van Mossolov's IJzergieterij. Ah, eindelijk iets met tempo, wat een weldaad voor de zinnen! Op het balkon gordt een vijftal speedmetal-bands de gitaren al om en er marcheert een drumband. Ik hoor alle pianola-etudes van Conlon Nancarrow tegelijkertijd. De Ouverture 1812! Daar vliegt dat witte paard van die rouwstoet door de lucht. Zonder die omgekeerde rijlaarzen, maar met koning Hussein erop, in galop op weg naar een bedoeïenenstam ver weg de Elysische velden in, waar hij bij leven ook wel eens onaangekondigd op bezoek kwam. Ik kijk om mij heen. E. zie ik niet meer, maar iedereen zweeft vrij door de ruimte heen. Zie je nou wel, zo moeilijk is dat toch niet, een beetje leviteren. Ik kijk om mij heen en denk: goh, zo zien teletubbies er dus uit als ze in de dertig zijn.