Rituelen

Vroeg of laat moest het er van komen, met een wrak hoofd wakker worden ergens op driehoog in de hoofdstad. Terwijl ik daar toch jaren geleden, op een tweede kerstdag, mijn huissleutels op tafel gooide en me voornam nooit meer een voet, et cetera.

Maar onlangs ontwaakte ik door zwarte lakens omhuld op een Amsterdams eiland, op een designbank die een comfortabel tweepersoonsbed bleek. De wonderen zijn de wereld nog lang niet uit. Nooit eerder zag ik een driftig reflecterende discobol boven een bedbank hangen, noch ontmoette ik een gaskachel die ik niet hoger kon zetten, gordijnen die niet zijn te openen. Ik keek mijn ogen uit: geen boeken, geen planten. En bekende dat ik nooit eerder aan een tafel van glas heb ontbeten. Zij glimlachte, sloeg haar benen over elkaar en doopte een beboterde croissant in haar koffieverkeerd: ,,Kennelijk heb je ook nog nooit witte rum gedronken.'' In vooroorlogse tijden werd ik in de hoofdstad om acht uur gewekt door een radio met een zogeheten sluimerknop; een andere zij drukte de knop in en ik klom over haar heen het bed uit. Schuifelde tussen duizenden boeken en tientallen varens door naar de keuken. Zette water op voor de kruidenthee, verwarmde in haar magnetron de kom die even later werd gevuld met muesli en yoghurt, perste sinaasappelen, smeerde de bammetjes voor haar lunch – `niet meer dan twintig korreltjes hagelslag hoor!' – en dook terug in bed.

Luisterde naar haar ademhaling tot het tweede wekkersignaal. Waarop we tot elkander ingingen zoals Robert Musil voorschrijft in zijn intieme dagboeken. Naderhand douchte zij in haar van vloerverwarming voorziene badkamer en smeerde ik haar van top tot teen in met bodylotion. ,,Hou je van me, ben je er vanavond als ik van mijn werk terugkom?''

Tijdens de tien jaren durende staat van beleg, door sommigen huwelijk genoemd, ontbrak de wekker. Zij (weer een andere) en ik werden wakker, of nog niet. Overal boeken, chronisch zieltogende planten. Steeds stond ik als eerste op, zette koffie, roosterde boterhammen en kookte eitjes, maar kwam zelden terug in het antieke echtelijke bed. ,,Hou je niet meer van me?''

Ik verliet de een voor de ander, waarop de ander mij belazerde en ik een ander beminde die uiteindelijk niet opgewassen bleek tegen mijn soms sombere gemoed. Op mijn beurt werd ik verlaten door de ander die smoorverliefd werd op haar grachtengordelkamerverhuurder die haar plotseling de deur wees, waarna ze terecht kwam in een commune van zwaar gesubsidieerde yuppies die een enorm pand op de Wallen bestieren. Bent u er nog? Ik niet, halverwege deze van rituelen vergeven tragedie koos ik uit zelfbehoud het hazenpad, verborg me in de Achterhoek en ging vlijtig aan het werk.

Verlekkerd laat ik me dit jaar weer insneeuwen, negeer de impuls om een uur door de witte wade te baggeren om in het dorp de post op te halen. Zij, ze, jij, gij allen kunt mij van harte gaarne de pot op. Tot het zover is ontsteek ik elke nacht een kaarsje voor uw aller duizelingwekkend zielenheil. Natuurlijk houd ik jullie in ere; op gepaste afstand. Het is wat het was. Niets meer aan doen: `Vlieg op en leef!'

    • Peter Yvon de Vries