Ook tegen paars is felle oppositie mogelijk

Sinds het CDA onder Lubbers het vleesgeworden compromis is geworden kunnen de christen-democraten geen echte oppositie meer voeren, meent

Eimert van Middelkoop. Nederland behoeft een politieke en maatschappelijke kritiek die het grote gebod niet mijdt.

Confessionele politiek moet weer iets van een profetische allure krijgen

Oppositievoeren in Nederland is een onderontwikkelde kunde. Het laat zich goed vergelijken met het liefdesleven van een eunuch: gemankeerd met het oog op een hoger doel. Een vergelijking met Westminster, waar de moeder der parlementen huist, heeft weinig zin. Het Nederlandse veelpartijensysteem dient op zijn eigen merites te worden beoordeeld. Welnu, hoe komt het dan dat het voeren van oppositie ons zo slecht afgaat en waarom is juist het CDA daarvan het vleesgeworden onvermogen geworden?

Een grondtrek van de Nederlandse cultuur is het particularisme. Nergens wordt de vrijheid van vereniging en vergadering zo uitbundig en pluriform beleefd als bij ons. Een ieder heeft zijn politieke partij, voor elk belang is er een organisatie. Vanaf de tijd van de Republiek hebben buitenstaanders zich dan ook de vraag gesteld hoe zo'n samenleving bijeen werd gehouden. Sommigen hebben gewezen op het Huis van Oranje, anderen op de regentenklasse, weer anderen op de doorwerking van de christelijke levensovertuiging.

Het zijn allemaal geldige, elkaar aanvullende verklaringen. Vertaald naar de politiek heeft dit evenwel geleid tot zware accenten op waarden als harmonie, samenwerking en demping van conflicten. In zo'n cultuur gedijt het voeren van een felle, ongenuanceerde oppositie natuurlijk niet. Sterker nog, het wordt niet op prijs gesteld. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

Deze mentaliteit, vertaald naar het Binnenhof, heeft ons parlement sinds jaar en dag het karakter gegeven van een nationale gemeenteraad, een orgaan met een sterk collegiale inslag. Je houdt je wel in als je weet dat je misschien morgen met je politieke tegenstander zaken moet doen in een nieuwe coalitie.

Intussen moet wel de macht worden gecontroleerd. Waar echte oppositie slecht gedijt, daar neemt het belang van een gezond dualisme alleen maar toe. Elke paarse politicus die zich vanaf 1994 vrolijk heeft gemaakt over het getob van het CDA moet zich dan ook zelf onmiddellijk de politieke gewetensvraag stellen of hij op zijn beurt wellicht niet dualistisch tekort is geschoten.

Wat zijn nu de factoren die verklaren waarom juist het CDA zo'n moeilijke overgang van het machtscentrum naar de oppositie heeft gemaakt? Voor de hand liggend is natuurlijk het gebrek aan ervaring, de nog niet op het voeren van een frisse oppositie gerekruteerde Tweede-Kamerfractie en het ontbreken van een leider met een geloofwaardig anti-Paars charisma.

Er is echter meer. Zonder een doorleefde politieke overtuiging is er geen echte oppositie en zelfs geen geloofwaardige parlementaire positie mogelijk. Er loopt een rechte lijn tussen de totstandkoming van het CDA in de jaren zeventig en de huidige stuurloosheid. Allereerst verdween toen de steile ARP, die wel ervaring had met stevig opponeren, in de veel meer op het harmoniemodel georiënteerde KVP. Vervolgens moet er op gewezen worden dat het nieuwe CDA geen vrucht was van een ideologische vernieuwing, maar van de wens tot behoud van de positie in het centrum van de macht. Welnu, wie onder een dergelijk gesternte wordt geboren, die moet een compleet politiek bekeringsproces doormaken om zich te bekwamen in het voeren van oppositie en zelfs om te overleven.

Misschien zou het beter met het CDA zijn gegaan als het niet pas in de jaren negentig, maar vrij snel na zijn totstandkoming een tijd in de oppositie was geweest. Er was dan meer ruimte geweest voor een inhoudelijke verdieping en bewapening.

Wat wel gebeurde is echter fataal geworden voor de geloofwaardigheid van het CDA. Onder Lubbers is de partij pas echt goed het vleesgeworden compromis geworden. Hoe kon een land als Nederland met zijn burgerlijk-conservatieve tradities mede onder leiding van het CDA toch één van de meest libertijnse naties worden? Denk aan de wetgeving op de terreinen van abortus provocatus, verdovende middelen, euthanasie en gelijke behandeling. Ik zou bereid zijn om op een enkel punt begrip te tonen voor de noodzaak, die in ons coalitiebestel voor elke partij geldt, compromissen te sluiten. Het vreemde was evenwel dat bij al deze onderwerpen het CDA eerst een vertragingstactiek toepaste, daarna telkens capituleerde om ten slotte een gesloten compromis inhoudelijk geheel voor eigen rekening te nemen. Hier geldt toch echt dat het lang vasthouden aan de macht corrumperend werkt. Wie dan ten slotte in de oppositie terecht komt, heeft zichzelf ontwapend en wel op het meest ongelukkige moment.

Het CDA is meer dan welke partij ook de ideologische drager van de polderidee. Het heeft daarin zoveel geïnvesteerd dat het zich deels van zijn politieke zelfstandigheid heeft beroofd. Dat wreekt zich nu men er in de oppositie niet meer op kan steunen en merkt hoe opportunistisch en materialistisch dat zogenaamde middenveld in werkelijkheid is.

Het heeft geen zin zich te bekwamen in een vorm van afbraakoppositie, het zal werken als een boemerang. Er is ook nog een meer principieel argument. En dat betreft de visie op het overheidsambt en -gezag.

Liberalen hebben vaak een houding alsof het beheer van dat ambt hun als iets natuurlijks toekomt. Socialisten staan er veel ambivalenter tegenover. Enerzijds is er nog een restant van het sentiment `de staat verdrukt, de wet is logen', anderzijds is er de verleiding het overheidsgezag te gebruiken om de samenleving naar eigen inzicht te hervormen.

Confessionele politiek is evenwel principieel gouvernementeel. Dat was de opvatting van Lohman, de voorman van de CHU, van de KVP'er Romme en de ARP'er Schouten. Confessionele oppositie is qualitate qua constructieve oppositie. Die principiële, antirevolutionaire opvatting heeft echter iemand als Abraham Kuyper destijds niet verhinderd zijn zogenaamde architectonische kritiek op overheid en samenlevingsopbouw te formuleren.

Confessionele politiek heeft alleen toekomst als het weer iets terugkrijgt van een profetische allure. Alleen al de geesteloosheid van Paars biedt daartoe mogelijkheden. Men zal echter ook zelf bereid moeten zijn weer de diepte in te gaan. Men moet de moed hebben weer een pleidooi te voeren voor de erkenning van God als hoogste Soeverein in staat en samenleving. Dat is een waarborg voor constitutionele vrijheden in een materiële rechtsstaat. Het zet aan tot het opkomen voor het recht van de armen en het duurzaam beheer van de schepping. Dat is wat ons land nodig heeft, een politieke en maatschappelijke kritiek die zich niet schaamt voor het grote gebod: God liefhebben en de naaste als onszelf. Dat is dan ook mijn advies aan het CDA: gebruik de oppositietijd ook daarvoor, we zijn dat aan onze geschiedenis en aan de toekomst verplicht.

Eimert van Middelkoop is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de GPV-fractie. Dit is een bekorte versie van de toespraak die hij hield bij de presentatie van het door Kees Versteegh geschreven boek `De Honden Blaffen. Waarom het CDA geen oppositie kan voeren'.