Koning Abdallah moet snel keuzes maken

Onderdanen en buitenlandse leiders zijn meteen begonnen te trekken aan de nieuwe Jordaanse koning, Abdallah. Hij zal snel politieke keuzes moeten maken.

Abdallah bin Hussein hóefde helemaal geen koning van Jordanië te worden. Dat zei hij tenminste de laatste tijd tegen vrienden. Als commandant van de Speciale Eenheden had hij het fantastisch. Iedereen die met hem te maken had, bevestigde dat de 37-jarige generaal-majoor een charmante, ongecompliceerde levensgenieter was, die, zoals zijn vader in diens jonge jaren, van feesten, vrouwen en snelle auto's hield. Geen intellectueel, maar wel slim en uitmuntend in het leggen van contacten, zowel met de Israeliërs als met de Golf-Arabieren.

Zijn vrienden geloofden hem. Totdat het gerucht de ronde deed dat hij vorig jaar tweemaal in het geheim naar zijn doodzieke vader in de VS was gevlogen om zich te beklagen over zijn oom Hassan, die een groot aantal mensen, met name in het leger, tegen zich in het harnas had gejaagd.

Hassan was, toen Abdallah drie jaar oud was en Jordanië van alle kanten werd belaagd, aangesteld als kroonprins door zijn broer Hussein. De koning deed dat op aandrang van zijn buitengewoon dominante moeder, die geen van haar schoondochters kon uitstaan - en zeker niet prinses Mouna, haar Britse schoondochter (voordien Tony Gardiner), de moeder van Abdallah. Volgens koningin-moeder Zaim diende de kroonprins van Jordanië ,,puur Arabisch bloed te hebben''. Zo werd de eerste zoon van koning Hussein ten gunste van de broer van de koning `onttroond'.

Precies een week geleden nodigde Abdallah een groepje buitenlandse journalisten uit om een aantal dingen recht te zetten. Inderdaad had hij eind september z'n vader bezocht in de Mayokliniek. Maar niet om over oom Hassan te klagen. Die bewonderde hij juist enorm. Hij had hem vaak om raad gevraagd; hij was er dan ook zeker van dat Hassan in de toekomst een vooraanstaande adviserende rol zou spelen. Zijn vader en zijn oom hadden een probleem gehad, omdat zijn vader ,,de legitimiteit (van het koningschap) weer terugwilde voor zijn eigen nakomelingen.''

Vlijtig noteerden de journalisten wat Abdallah, tien dagen tevoren door zijn vader opnieuw als kroonprins benoemd, hun toevertrouwde. Maar zij herinnerden zich dat hij, kort na zijn terugkeer uit Amerika, een interview aan een Arabisch weekblad had gegeven. Daarin had hij gezegd dat hij tot zijn derde jaar kroonprins was geweest, en dat niets in de weg stond om de lijn weer op te vatten van de traditionele troonsopvolging. Toen al concludeerde men dat er iets broeide aan het hof.

Abdallah gaf in dat gesprek fijntjes te kennen dat een kroonprins zich niet moet profileren, omdat hij geen plaatsvervangend koning is, doch uitsluitend diens adjunct. Namen noemde hij niet. Maar iedereen wist wie hij bedoelde: kroonprins Hassan had zich tot woede van velen het afgelopen halfjaar wel erg naar voren gedrongen.

Abdallah maakte op de aanwezigen een uitstekende indruk: een charmant, warm, open en eenvoudig man, die jarenlang ,,als een simpel Jordaans soldaat'' ergens in de woestijn gelegerd was geweest. Hij zei dat hij de buitenlandse politiek van zijn vader zou voortzetten, en zou streven naar ,,een permanente vrede tussen onze vrienden in Israel en onze vrienden in het Palestijnse Nationale Bestuur''.

Hij sprak over zijn hechte vriendschapsbanden met andere Arabische prinsen, met wie hij dezelfde scholen, restaurants en bioscopen had bezocht, en wier verlangen hij deelde om het moslim-fundamentalisme te bestrijden en een vrije-markteconomie in te voeren. En hij vond dat de Iraakse president Saddam Hussein nog steeds Koeweit bedreigt. Daarom, zei hij, streeft Jordanië naar een verandering van het Iraakse regime, aangezien er geen hoop meer is dat Saddam zijn politiek zal wijzigen.

Hij maakte een diplomatiek foutje toen hij Iran kwalificeerde als een nòg ernstiger destabiliserende factor in de regio, aangezien de Iraanse krachten die door president Khatami worden vertegenwoordigd, slechts een minderheid zijn. Maar voor de rest kwam hij over als iemand die zijn zaken kende. Precies zoals zijn vader en zijn oom Hassan in het verleden al hadden gedaan in achtergrondgesprekken met journalisten, zei ook hij naar democratisering te streven van de Jordaanse samenleving. Maar niet overhaast, omdat democratie een leerproces is. Het was duidelijk dat Abdallah niet van zins is een constitutionele monarchie in te voeren, waarin het parlement de baas is.

Maandag al, tijdens de begrafenis van zijn vader, begonnen de grote mogendheden, zijn buren en zijn onderdanen aan hem te trekken. Zij wilden niets liever dan hem `van advies dienen'. En uiteraard probeerde Abdallah zich niet vast te leggen. Hij was aardig voor iedereen die hem de hand schudde. Aardig vooral voor oom Hassan, met wie hij – zichtbaar voor iedereen – veel sprak en die hij veelvuldig omhelsde. Aardig voor de Syrische president Assad, die via zijn minister van Buitenlandse Zaken alvast had laten weten dat Syrië het niet op prijs stelt dat Jordanië ,,vriendschappelijker betrekkingen met Israel onderhoudt dan met de Arabische wereld''. Hij was ook aardig voor Egyptes president Mubarak, die grote bezwaren heeft tegen Jordaniës `warme vrede' met Israel.

Maar lang kan hij niet doorgaan met die tot niets verplichtende hoffelijkheid. De komst van al die lieve vrienden maakte duidelijk dat hij snel politieke keuzes moet maken. Zijn thans zo hooggeprezen vader moest dat ook doen. Paradoxaal genoeg belandde deze binnenslands op het hoogtepunt van zijn populariteit toen hij zich in 1991 `positief-neutraal' jegens Saddam opstelde. Daardoor kreeg hij echter op buitenlands-politiek gebied ernstige problemen met zijn Westerse beschermers. Zij vergaven hem pas toen hij vrede met Israel sloot. Die `Vrede van de Koning' wordt echter in Jordanië gezien als een `Arabische capitulatie`, en is daarom erg impopulair.

Dat komt ook omdat de vrede zo weinig oplevert. Anders dan Egypte en het Palestijnse Bestuur van Yasser Arafat, heeft Jordanië nooit een behoorlijk `vredesdividend' ontvangen. Egypte incasseerde de afgelopen twintig jaar in ruil voor zijn vrede met Israel op zijn minst honderd miljard dollar van het Westen, in de vorm van directe hulp en kwijtschelding van zijn schulden. Het Palestijnse Bestuur kreeg als beloning voor de met Israel gesloten Oslo-akkoorden en ter aanmoediging van het `vredesproces' enkele miljarden dollars. Maar omdat iedereen wist dat koning Hussein onder geen beding opnieuw oorlog wilde, is Jordanië maar mondjesmaat beloond.

De betrekkelijke welvaart van de jaren '80 veranderde in 1990 in armoede voor een steeds groter deel van de Jordaanse bevolking. Want de zo lucratieve Iraakse afzetmarkt werd door de VN-sancties tegen Irak vrijwel weggevaagd. En als gevolg van het stokkende vredesproces kwam de handel met Israel en de Palestijnse gebieden niet op gang.

Vorige maand werd de broodprijs op last van de regering van 200 fils (ongeveer 50 cent) naar 150 fils gebracht. Meegedeeld werd dat de overheidssubsidie voor brood voorlopig wordt gehandhaafd. En dat, terwijl Jordanië een gigantische buitenlandse schuld heeft. De regering kan echter niet anders. Naar schatting 30 procent van de werkende bevolking heeft geen emplooi.

Als de nieuwe koning investeringen wil aantrekken, moet hij economische hervormingen invoeren volgens het recept van het IMF. Maar dat zal in eerste instantie onvermijdelijk tot nòg grotere ellende leiden, en dus tot sociale en politieke onrust. Zoals drie jaar geleden, toen niet de Palestijnen, maar de koningsgetrouwe Bedoeienen broodrellen veroorzaakten, die door de Speciale Eenheden van het leger onder leiding van Abdallah werden neergeslagen. En als de koning, uit angst voor onrust, géén economische hervormingen doorvoert, zal Jordanië, met zijn razendsnel groeiende bevolking, geen economische groei en toekomstvooruitzichten hebben - wat zijn neerslag zal hebben in de politieke verhoudingen.

Voortgaand op de weg van zijn vader streeft de nieuwe koning naar veiligheid, stabiliteit en een redelijk bestaan voor zijn volk, zijn land en zijn dynastie. Hij zal - om een deel van die doelen te bereiken - niet minder grote problemen hebben dan zijn vader. Misschien zegt hij dan ook wel over een jaar tot zijn vrienden: ,,Was ik maar nooit koning geworden.''