Het nationale erfgoed op miniatuurformaat

Het aantal uitgebrachte postzegels neemt jaarlijks toe. Het aantal verzamelaars loopt terug. De ongemakkelijke verhouding tussen hobby en markt.

ZELF NOEMT DE Koninklijke PTT Post ze `verrassingszegels': de vijf verschillende postzegels van tachtig cent die afgelopen najaar uitkwamen. De verrassing is dat de koper ze zelf kan voltooien door een bijgeleverd stickertje – geslaagd, verhuisd, geboren, gefeliciteerd – in het uitgespaarde venstertje te plakken. ,,We wilden het verzenden van een kaart leuker maken en het is ook leuker voor de ontvanger'', zegt H. Kluck van PTT Post.

Voor de verzamelaar is het minder aangenaam. Als hij alle zegelvarianten in zijn collectie wil opnemen, moet hij ruimte maken voor honderd zegels (tachtig gulden). ,,Commercieel heeft het geloof ik wel gewerkt'', aldus J.W. Dito van de Nederlandsche Vereeniging van Postzegelhandelaren (NVPH), ,,maar voor de filatelist is het een drama.''

De `verrassingszegels' zijn symptomatisch voor de ongemakkelijke verhouding tussen het postbedrijf en de verzamelaar, tussen markt en hobby. Elk jaar geeft PTT Post meer zegels uit. Omdat er vraag naar is, zegt Kluck. Zo ging het van 13 nieuwe zegels in 1958, via 19 in 1978 naar 61 in 1998. Maar geen verzamelaar die op zo'n jaarlijks terugkerende eruptie van nieuwe postzegels zit te wachten.

Bij die 61 zegels van vorig jaar zitten ook twintig verschillende kerstzegels. Nog zo'n vondst van de afdeling marketing die de doorsnee postzegelhobbyist maar matig kan waarderen, weet de Arnhemse postzegelhandelaar D.J. Luttje: ,,Decemberzegels? Dat is je reinste centenklopperij.''

Komt het wellicht door deze commercialisering dat het aantal `geregistreerde' verzamelaars de afgelopen decennia gestaag is gedaald, van circa 75.000 in 1978 naar zo'n 49.000 eind vorig jaar? Moeilijk te zeggen, want dit zijn alleen de leden van de 260 lokale verenigingen van de Nederlandse Bond van Filatelisten Verenigingen (NBFV). De bond brengt de terugloop ook in verband met de vergrijzing en de populariteit van computers onder jongeren.

Toch moet het werkelijke aantal verzamelaars hoger liggen. Want PTT Verzamelservice (voorheen de Filatelistische Dienst) heeft alleen al meer dan 200.000 vaste klanten. Zij krijgen, al naar gelang het type abonnement, nieuwe zegels automatisch thuisgestuurd. Ze staan veelal te boek als `stille' of `slapende' verzamelaars: geen gepassioneerde filatelisten die een kick krijgen als ze een ontbrekende zegel bemachtigen, maar gemakzuchtige `hokjesvullers' met een abonnement op het postorderbedrijf van de Verzamelservice.

Goed mogelijk dat ze denken aldus slapende rijk te worden. Maar dat moet op een misverstand berusten, zo leert een blik in de fraai verzorgde catalogi van de NVPH. Daarin staan alle zegels die het postbedrijf namens de Staat der Nederlanden sinds 1852 heeft uitgebracht, in totaal nu ruim 1.800. Ze bieden niet alleen een exclusief inkijkje in het nationale erfgoed op miniatuurformaat, maar ook enig inzicht in de ontwikkeling van de waarde.

Neem bijvoorbeeld de Zomerzegels (vijf klederdrachten `met toeslag voor sociale en culturele zorg') van veertig jaar geleden: aankoop 90 cent, in 1984 42,50 gulden waard en nu voor 45,00 gulden in de catalogus. Of de Kinderzegels van Dick Bruna uit 1969 (eveneens vijf zegels met toeslag, dit keer voor jeugdzorg): aankoop 1,75 gulden, in 1984 26,00 gulden en nu 12,50 gulden. Zelfs de koetjes uit 1974, een schitterende `beelddoorloper' van Jaap Drupsteen, konden de inflatie amper bijhouden: de zegel staat nu postfris voor 25,00 gulden in de catalogus.

Daar komt nog bij dat de markt zich niet pleegt te houden aan de catalogus. Bij een nieuwe zegel is de prijs duidelijk. Maar als de uitgifte stopt, valt de zegel ten prooi aan goeddeels ondoorgrondelijke prijsvorming. Zeker, ouderdom en oplage spelen een rol. Zo zal het met de 1-centzegel uit 1899 – recordhouder met een oplage van 2,268 miljard stuks – wel nooit wat worden. Maar ook `topstukken', zoals de tienguldenzegel van koningin Wilhelmina uit 1905 en de Jubileumzegel van een tientje uit 1913 blijken niet waardevast. Ze staan nu voor ruim tweeduizend gulden in de catalogus, een paar honderd gulden minder dan op het hoogtepunt, eind jaren zeventig. Als vuistregel hanteert de handel momenteel marktprijzen die 50 tot 70 procent onder de cataloguswaarde liggen, zegt Luttje.

    • Joop Meijnen