Defensie moet parate gevechtskracht vergroten

De herstructurering van defensie moet gericht zijn op een grotere inzetbaarheid en paraatheid, maar ook op het afstoten van taken die niet primair nodig zijn voor crisisbeheersing, menen Bert Koenders en Martin Zijlstra.

Na het verdwijnen van het Warschaupact en de illusie van de nieuwe wereldorde, heeft de ontgoocheling van de gebleken complexiteit van vredesoperaties ons defensiebeleid minder vanzelfsprekend gemaakt. Onder deze omstandigheden is denken over nut en noodzaak van defensie een politieke plicht. Veertien miljard gulden per jaar voor defensie moet stoelen op hernieuwde maatschappelijke legitimatie en scherpere prioriteitstelling. Deze legitimatievraag is echter niet van existentiële aard. Defensiepolitiek blijft een belangrijke verzekeringspolis tegen internationale of binnenstatelijke conflicten die onze politieke, economische en morele belangen raken. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat Nederland alleen verantwoord profiel kan kiezen in een duidelijk gestructureerd internationaal politiek verband. Dat is de afgelopen jaren maar al te duidelijk geworden.

In de nota Investeren in een nieuwe krijgsmacht heeft de PvdA vorig jaar de consequenties getrokken en de noodzaak onderstreept van het investeren in een gemoderniseerde krijgsmacht die primair gericht is op crisisbeheersingsoperaties en de veiligheidspolitieke scenario's van de 21ste eeuw. Implosie van Rusland en het grote aantal falende staten op de Balkan en in Afrika zijn daarbij een groter risico dan expansie aan onze oostgrens. Het praktische verschil tussen crisisbeheersing op diverse geweldsniveaus en de klassieke verdedigingstaak is in deze nieuwe context zo goed als weggevallen. Het is daarom verantwoord, maar vooral ook nodig, ons te concentreren op die defensiemiddelen uit de diverse krijgsmachtdelen die gebruikt kunnen worden voor alle hoofdtaken van de krijgsmacht.

Dit uitgangspunt is gelukkig ook te vinden in de nota van de ministers De Grave en Van Aartsen. De gevolgtrekking hiervan is alleen niet in alle opzichten eenduidig. De nieuwe herstructurering van het militair apparaat dient dan ook gericht te zijn op een nog verdergaande vergroting van de inzetbaarheid en paraatheid, maar ook op het geleidelijk verder afstoten van krijgsmachttaken die niet primair nodig zijn voor crisisbeheersing, zoals de onderzeedienst en de marineluchtvaartdienst.

Tevens wordt het mogelijk de capaciteit te vergroten om adequaat, tijdig en verantwoord te reageren op crisissituaties met diverse geweldsniveaus. Die capaciteit loopt anders in de toekomst gevaar. De Kosovo-crisis laat zien dat goed gemotiveerde en robuust uitgeruste grondtroepen essentieel kunnen zijn.

De ambities van Nederland zijn willekeuriger dan tijdens de Koude Oorlog. Zij worden alleen als legitiem ervaren als acties deel uitmaken van een effectieve en in politiek en ethiek ingebedde strategie. Daarbij hoort ook een betere organisatie en een meer verantwoorde uitrusting van de kerntaken. Ook daarom moet herstructurering verder gericht zijn op de nog steeds niet gerealiseerde integratie van krijgsmachtonderdelen; in de eerste plaats tussen het korps mariniers, de luchtmobiele brigade en het korps commandotroepen.

Ook de Haagse staven kunnen veel verder worden geïntegreerd, zodat extra geld vrijkomt voor het personeelsbeleid dat steeds meer onder druk staat van een krappe arbeidsmarkt. Er moet afscheid worden genomen van de kaasschaafmethode. Het geld dat hiermee wordt bespaard – bijvoorbeeld door sluiting van de luchtmachtbasis Valkenburg – kan worden gebruikt voor andere maatschappelijke prioriteiten, zoals niet-militaire conflictvoorkomende maatregelen op het gebied van bijvoorbeeld het opruimen van verouderde nucleaire installaties in het voormalige Oostblok, politiek-economische ontwikkeling in Afrika, mensenrechtenbeleid en ontwikkelingssamenwerking. In het moderne veiligheidsbeleid bestaat immers een nauwe samenhang van politieke, economische, financiële en militaire problemen en instrumenten van oplossing, zoals de Hoofdlijnennotitie terecht stelt. Niemand kan bijvoorbeeld ontgaan zijn welke veiligheidspolitieke rol het IMF in de praktijk vervult en hoe ongelijke ontwikkeling de bron vormt van veel etnische en politieke conflicten.

Een maatschappelijke discussie over gebruik van het militaire instrument in zo'n bredere context is geen overbodige luxe. Buitenlandpolitieke en defensieorganisatie-aspecten horen daarbij in onderlinge samenhang een rol te spelen. Vrede en veiligheid noch democratie en economische ontwikkeling komen met een handgreep tot stand, en militaire acties zijn alleen onder bepaalde omstandigheden effectief en dan ook vaak maar al te noodzakelijk.

Cruciaal voor de volgende periode is of de internationale betrokkenheid waarover de Hoofdlijnennotitie spreekt optimaal wordt ingevuld. De centrale keuze voor crisisbeheersingsoperaties is alleen relevant als er duidelijk positieve lessen uit het verleden zijn getrokken met betrekking tot bijvoorbeeld de illusie van de zogenaamde risicoloze vredesoperaties. Daarbij dient erkend te worden dat Nederland vooral in samenhangende modules die vooral – maar zeker niet alleen – rond de landmacht zijn geconcentreerd een goede bijdrage in internationaal verband kan leveren. Groot-Brittannië en Duitsland zijn hierin logische partners, maar de politieke setting zal breder moeten zijn. Recht en macht hangen alleen samen mits die macht zo breed mogelijk gelegitimeerd blijft, ook buiten de directe grenzen van ons cultuurgebied. Vandaar dat het er de Nederlandse regering alles aan gelegen moet zijn om tegen de stroom in een bijdrage te leveren aan herstel van de centrale rol van de VN-Veiligheidsraad bij de handhaving van de internationale vrede en veiligheid. Veel ontwikkelingslanden hebben mede om die reden hun steun aan Nederland gegeven.

De verzekeringspolis is alleen effectief als ook andere landen daaraan meedoen en langdurig wordt geïnvesteerd in de VN, de NAVO en de EU. Ondanks de vaak irritante, tegenstrijdige en vaak weinig gecoördineerde posities van deze organisaties en de daarvoor verantwoordelijke lidstaten. De oude strijdbijl tussen atlantici en Europeanen kan na het initiatief van Tony Blair begraven worden.

De NAVO moet zich primair richten op uitbreiding, omvorming en versterking in het licht van de nieuwe discussie over proliferatie en crisisbeheersing, en zich veel actiever inzetten op het terrein van nucleaire wapenbeheersing zoals het non-proliferatieverdrag vereist. De nucleaire doctrine van no-first-use moet daarbij niet op een achternamiddag verlaten worden maar moet wel aangepast worden in het licht van de huidige veiligheidsrisico`s. Nederland zou zich zo snel mogelijk hard moeten maken voor een internationale discussie over no-first-use van alle massavernietigingswapens en tevens (wapen)exportbelangen in India en Pakistan niet laten prevaleren boven anti-proliferatiepolitiek.

Zinnige plannen voor verdediging tegen massavernietigingswapens – een gevaar van serieus belang – moeten in eerste instantie samen worden ontwikkeld met een zich vernederd voelend Rusland en passen binnen de wapenbeheersingsverdragen. Het comparatieve voordeel van een Nederlandse militaire participatie in raketdefensie is daarbij geen automatisch gegeven. Uitbreiding van de NAVO moet gepaard gaan met wapenbeheersing en schenking van overtollig materieel aan nieuwe leden van het bondgenootschap, zodat een veiligheidscrisis daar niet plaats maakt voor een sociale crisis.

De Europese lotsverbondenheid moet voor het Nederlandse veiligheidsbeleid veel centraler komen te staan. De EMU is meer dan markt en munt; het moet ook buitenlandse- en veiligheidspolitiek zijn. Lotsverbondenheid is des te belangrijker nu vele conflicten zich om de randen van Europa heen bewegen en een samenhangende economische en militair politieke strategie vereisen. Kosovo en Bosnië maken dit overduidelijk. Europa is de enige die daarbij een langetermijnstrategie kan leveren. Onderschatting van de verantwoordelijkheid van Europa is nu een groter gevaar dan de overschatting van minister Poos ten tijde van de eerste Joegoslavië-crisis in 1991.

Natuurlijk blijven de rol van de NAVO en de Verenigde Staten cruciaal, maar we moeten niet uit het oog verliezen dat in Washington bedrijfs- en minderheidsbelangen het vaak winnen van een langdurige committering voor vrede en ontwikkeling. De Europese landen laten door hun verdeeldheid een weinig rooskleurig beeld zien, maar zullen tot verantwoordelijkheid worden gedwongen. Nederland zal dan ook veel sterker dan verwoord in de Hoofdlijnennotitie moeten kiezen voor een politiek sturende rol van de EU in veiligheids- en defensiebeleid en daar ook Duitsland als belangrijkste bondgenoot op dienen aan te spreken. Minister Van Aartsen zal hier actiever een rol moeten gaan spelen en duidelijker prioriteiten moeten formuleren.

Als de Amerikanen binnen de NAVO niet wensen mee te doen zouden zij het gebruik van NAVO-middelen door de EU niet mogen frustreren. Het zal de verantwoordelijkheid van mevrouw of mijnheer `Buitenlands Beleid EU' moeten zijn die hierbij voor het eerst op Europees niveau gemeenschappelijke en conflictspecifieke belangen formuleert, inzet op conflictpreventiebeleid, en tevens de planningscel van de (W)EU beheert. De voorstellen van het kabinet om tot een minder zwaar mobilisabele en een lichtere krijgsmacht te komen zijn in dat verband een stap in de goede richting. Door vergroting van de parate gevechtskracht kunnen wij onze bijdrage in de VN, NAVO en (W)EU niet alleen handhaven maar ook actiever invullen. Scherpe keuzes voor een daadwerkelijke integratie tussen krijgsmachtdelen en internationale taakspecialisatie kunnen we echter niet uit de weg gaan. Dat is niet een kwestie van geld maar van adequate defensiepolitiek.

Bert Koenders en Martin Zijlstra zijn respectievelijk woordvoerder buitenlandse zaken en defensie van de Tweede Kamerfractie van de Partij van de Arbeid.