De AOW-affaire

Mensen kunnen op twee manieren zorgen voor hun oude dag. De eerste mogelijkheid is dat zij tijdens hun actieve jaren sparen, bij de bank, door aandelen en obligaties of een eigen huis te kopen. In de herfst van hun leven kunnen zij rondkomen door geleidelijk op de gevormde besparingen in te teren. Bijna alle werknemers in Nederland sparen vooral collectief, door deel te nemen aan een regeling voor aanvullend pensioen. Bij de meeste van die regelingen wordt maandelijks pensioenpremie op het salaris van de werknemer ingehouden. Belangrijker is de rechtstreeks door de werkgever aan het pensioenfonds afgedragen premie. Samen beheren de fondsen voor hun deelnemers inmiddels meer dan 700 miljard gulden.

Deze regelingen heten `aanvullend', omdat het als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden geregelde pensioen de uitkering krachtens de Algemene ouderdomswet (AOW) aanvult. De in 1957 tot stand gebrachte AOW is de basisvoorziening voor de oude dag en illustreert de tweede mogelijkheid hoe mensen kunnen zorgen voor later. Voor dit basispensioen is en wordt niet gespaard. Het berust op een wettelijk vastgelegde afspraak dat de werkende generaties een deel van hun verdiende inkomen afstaan aan de 65-plussers. Zulke `omslag'regelingen - waarbij de lasten van het pensioen jaarlijks over de werkenden worden omgeslagen - zijn kwetsbaar in een tijd dat de leeftijdsopbouw van de bevolking snel verandert. Afspraken kunnen worden herzien, wetten gewijzigd. Neemt het aantal ouderen snel toe (vergrijzing) terwijl het aantal werkenden in verhouding vermindert, dan moet de omslagpremie logischerwijze fors omhoog, tenzij wordt aanvaard dat de koopkracht van de AOW-uitkeringen in rap tempo achterblijft bij de koopkracht van lonen en salarissen. In de volgende eeuw zal Nederland sterk vergrijzen. Grote premiestijgingen en achterblijvende koopkracht van het basispensioen tekenen zich af.

Om toenemende onrust over de toekomst van de AOW te bezweren, is ruim een jaar geleden het AOW-spaarfonds gevormd. Het woord zegt het al: deze constructie beoogt de financiële basis van het basispensioen te versterken door tijdig geld opzij te zetten voor de in de volgende eeuw te verwachten stijging van de uitkeringslasten. Al in 2002 - volgens bepaalde kringen het jaar waarin de lopende kabinetsperiode eindigt - zal de overheid 27 miljard gulden ten gunste van het AOW-spaarfonds hebben geboekt. Kunnen de `baby boomers' - de generatie die het probleem hoofdzakelijk veroorzaakt - nu gerust zijn?

Helaas niet. De instelling van het fonds is een vorm van `zwendel' met de overheidsfinanciën zonder weerga. In de volgende eeuw zal een nu al voorspelbare AOW-affaire de herinnering aan sommige affaires uit de late twintigste eeuw doen verbleken. Het grote verschil met bijvoorbeeld de paspoortaffaire en de rel rond de capaciteit van de luchthaven Schiphol is dat de kern van de zaak - de valse zekerheid die het AOW-spaarfonds biedt - van meet af aan voor iedereen duidelijk had kunnen zijn. Want hoe werkt de constructie?

Minister de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verklaart dit jaar bijna 7 miljard schuldig te zijn aan het spaarfonds, in feite aan zichzelf omdat het fonds onderdeel van de rijksbegroting vormt. Die 7 miljard telt mee als een omvangrijke uitgave, hoewel geen geld wordt gestort in een echt fonds dat los van de begroting staat. Het hele bedrag vormt slechts een ontvangst die wordt geboekt bij een ander onderdeel van de rijksbegroting, een rekening met de misleidende naam spaar`fonds'. Het blijkt slechts om een vestzak-broekzakoperatie te gaan. Doordat tegenover de uitgaaf een even grote ontvangst staat, verbetert de overboeking naar het AOW-spaarfonds op dit moment de tekortpositie van het Rijk.

In de volgende eeuw is het net andersom. Wanneer voor de financiering van de AOW-uitkeringen aan de baby boomers mede geld van de spaarrekening wordt gehaald, moet de minister van Financiën in de buidel tasten: het tekort loopt dan op, tenzij ruimte op de rijksbegroting wordt vrijgemaakt door de belastingen te verhogen of op andere uitgaven te bezuinigen. Dat zijn exact de alternatieven waarover een kabinet in de volgende eeuw beschikt wanneer de hele spaarfondsconstructie nooit in het leven was geroepen! Extra zekerheid biedt de constructie dus nauwelijks. Wanneer bezuinigingen, nodig voor schuldaflossingen aan het spaar`fonds', door de meerderheid van kiezers en volksvertegenwoordigers worden geblokkeerd, zullen de belastingen omhoog moeten, net zoals bij afwezigheid van het spaar`fonds' de AOW-premie fors omhoog moet.

Toch zijn er twee verschillen. Ten eerste betalen 65-plussers wel belasting, maar geen AOW-premie. Ten tweede is alleen AOW-premie verschuldigd over inkomen in de eerste schijf van het inkomstenbelastingtarief. De instelling van het spaarfonds komt er - ten opzichte van een situatie met snel stijgende AOW-premies - dus in wezen op neer dat de lasten van de vergrijzing in de volgende eeuw voor een deel worden verschoven naar de ouderen en naar mensen die met de top van hun inkomen boven de eerste tariefschijf uitkomen.

Dat is de kern van de AOW-affaire: de prijs van schijnzekerheid inzake de toekomst van de AOW wordt in de komende eeuw bovenal betaald door ouderen en de meest welvarenden. Die lastenverschuiving valt op zichzelf heel goed te verdedigen. Het is alleen nooit uitgelegd.

    • Flip de Kam