Cijfers bron van politiek gedoe

De Tweede Kamer praat vandaag over eerbiedwaardige onderzoeksinstituten als het RIVM en het CPB die kwestieuze methoden zouden gebruiken. Maar ligt het probleem ook niet bij de politici zelf?

Onlangs rolde een persbericht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW) van de faxen bij de media. Onderwerp was het aantal leerlingen en studenten dat zich vorig jaar had ingeschreven. Bijna alles groeide, hoewel? Aan het einde van het persbericht stond dat ook het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een persbericht had uitgebracht over hetzelfde onderwerp. ,,Op sommige punten verschillen de aantallen tussen beide persberichten'', aldus OCenW, die dat verklaarde uit de verschillen in definities tussen het departement en het CBS.

In Den Haag is er altijd wel ergens gedoe over getallen. De ene keer scheppen definitiekwesties verwarring, de andere keer is er een dispuut over de geldigheid van de gebruikte methode. Soms klinkt zelfs het verwijt van bedrog, zoals uit de mond van een medewerker van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Na diens onthullingen werd in sommige kranten al het `deficit van de democratie' afgekondigd. Politici kunnen niet meer vertrouwen op de ambtelijke cijferaars, en journalisten slikken beweringen in de rapporten voor zoete koek.

Toch is het de vraag of het cijferprobleem nieuw is. De moeder aller cijferaars is het Centraal Planbureau (CPB), de nationale rekenmeester. Snel na de oprichting in 1945 door vermaarde econometrist J.Tinbergen verwierf het CPB een belangrijke rol bij de economische wederopbouw van Nederland. De rekenmodellen bleken wonderwel te passen bij de poging van de regering om de nationale economie te ordenen met een geleide loonpolitiek, met productschappen en officiële kartels.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het nog betrekkelijk jonge RIVM zijn grotendeels geënt op het CPB en ze doen voor respectievelijk de `samenleving' en het `milieu' wat het CPB doet voor de economische werkelijkheid.

Jo Ritzen, nu verbonden aan de Wereldbank en van 1989 tot 1998 minister van Onderwijs: ,,Instituten als het CPB, het RIVM en het SCP hebben een lange staat van dienst. Nederland is daarin echt een internationale uitschieter. Wat dat betreft hebben we veel aan Tinbergen te danken.''

De stroom aan cijfers is de laatste jaren nog groter en belangrijker geworden door de internationalisering (asielzoekers, financieel-economische ontwikkelingen, milieuproblemen), door de informatierevolutie én als gevolg van de bezuinigingspolitiek. Zelfs GroenLinks heeft vorig jaar het verkiezingsprogramma door het lang verfoeide CPB laten doorrekenen.

De cijfers zijn een belangrijk middel tot pacificatie in de politiek waarin partijen gedwongen zijn coalities te vormen. Zo kunnen partijen zich in verkiezingstijd met de staatjes aan bezuinigingen, `beleidsintensiveringen' en economische effecten (alles doorgerekend door het CPB) van elkaar onderscheiden in het gedrang om het politieke midden. Bij de kabinetsformatie maken de cijfers het juist weer eenvoudig om programmapunten `uit te ruilen'.

Het koopkrachtplaatje van het CPB, dat globaal - maar wel tot achter de komma - berekent hoeveel de mensen in verschillende inkomenscategoriën overhouden van hun loon, is daarbij inmiddels een evergreen. De berekening van het `plaatje' - van brutoloon tot het besteedbaar inkomen - biedt alle spelers in de Nederlandse overlegeconomie, van ambtenaren tot de vakbonden, de kans hun belang veilig te stellen: een beetje meer te besteden voor de werknemers zonder dat de lonen voor de werkgevers te veel stijgen. Het poldermodel in een notendop.

Maar vorig jaar ging het mis. De beloofde koopkrachtverbetering ,,voor iedereen'' bleek voor velen niet te gelden en dat bracht een discussie op gang over het nut van de plaatjes. Het debacle met de koopkrachtsplaatjes illustreert de verraderlijkheid van de cijfers. Zo kunnen de zogeheten zwarte scholen de gemoederen van tijd tot tijd flink in beroering brengen, maar hoeveel zijn het er eigenlijk? ,,Het ministerie van Onderwijs, het CBS en het SCP hanteren daarvoor heel verschillende definities'', zo ontdekte Marleen Barth, onderwijswoordvoerder voor de PvdA-fractie in de Tweede Kamer. ,,Als je uitgaat van CBS-cijfers, is maar zes procent van de scholen zwart. Waar praten we dan over, vraag je je af. Tweede-Kamerleden moeten dus doordouwen en doorvragen.''

En ze moeten zich afvragen wat ze eigenlijk met de cijfers willen, vindt Ed Nijpelss, oud-minister van milieu, sinds kort commissaris van de koningin in Friesland. ,,Politici roepen het probleem over zichzelf af. Ze doen veel te vaak alsof instituten als het RIVM ontwikkelingen tot op de komma nauwkeurig kunnen meten, terwijl het veel meer gaat om nieuwe trends die zulke onderzoeksinstituten waarnemen. En dat doet het RIVM heel betrouwbaar.''

Het probleem met de cijfers lijkt dan ook vooral te zitten in de manier waarop politici ermee omgaan, zoals bij het asielbeleid. ,,De cijfers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst over de aantallen asielzoekers zijn over het algemeen heel betrouwbaar, als je tenminste de onvoorspelbaarheid van humanitaire rampen in aanmerking neemt'', zegt het Tweede-Kamerlid Henk Kamp (VVD). Zijn collega Maxime Verhagen van oppositiepartij CDA: ,,Tijdens de vorige kabinetsperiode werd daar behoorlijk mee gesjoemeld. Nog vlak voor de verkiezingen werden de cijfers over het aantal asielzoekers door de staatssecretaris neerwaarts bijgesteld, terwijl ik signalen had dat eerder het tegenovergestelde moest gebeuren. Pas na de verkiezingen kreeg ik gelijk. Bovendien kreeg ik steeds op mijn kop dat ik de instroomcijfers van januari met die van een jaar eerder vergeleek, en niet met die van een maand eerder wat het beeld gunstiger maakte.''

De financiële specialisten van de fracties mopperen dikwijls dat de beoordelingen van het CPB over de verkiezingsprogramma's en plannen te streng zijn (voor eigen partij) of juist te soepel (voor een andere partij). Inmiddels weten zij echter precies waar de CPB-modellen op `aanslaan' (lastenverlichting is altijd een `hit') en maken ze daarvan dankbaar gebruik.

Nijpels profiteerde als milieuminister in 1988 enorm van de alarmerende rapportages van het RIVM, die onder de titel Zorgen voor Morgen internationale aandacht kregen. In één klap stond het milieu hoog op de politieke agenda. Nijpels: ,,Het ging destijds om een hele nieuwe trend. Het RIVM-rapport veroorzaakte een echte politieke schokgolf.'' Van een opzetje tussen opdrachtgever - zijn ministerie - en de uitvoerder van die opdracht - het RIVM - was geen sprake, aldus Nijpels. ,,Wij vroegen in 1988 het RIVM gewoon een `state of the environment' te maken. Bij de presentatie van het rapport hebben we wetenschappelijke analyse en politieke aanbevelingen consequent uit elkaar gehouden.''

Niet zozeer het monopolie van instituten zoals het RIVM is daarbij een probleem, maar het feit dat tegenwicht bij de ministeries ontbreekt, signaleert Ritzen: ,,Mij viel op dat departementen als VROM weinig know how in huis hebben om de informatie uit instituten zoals het RIVM goed te beoordelen. Welke informatie hebben we precies nodig, welke is bruikbaar? De directeur-generaal met de betrouwbaarste cijfers legt het vaak af tegen de directeur-generaal met de mooiste metaforen. Daarom ben ik zelf bij het begin van mijn ministerschap begonnen een kwantitatieve analyse-eenheid op te zetten.''

Ondanks de moeizame verhouding met de cijfers, blijft de politiek erin geloven. De laatste jaren waren er substantiële verschillen tussen het aantal asielzoekers waarmee werd rekening gehouden en het aantal dat uiteindelijk binnenkwam. Andere landen beginnen daarom niet eens aan zulke prognoses. In plaats van zich bij de buitenlandse praktijk aan te sluiten, kiest Nederland echter voor de omgekeerde weg. Vanaf dit jaar worden de modellen van het CPB gebruikt om betere voorspellingen te kunnen doen.