Oppositievoeren zit het CDA niet in de genen

Het CDA is een ,,gewone partij'' geworden, maar heeft nog moeite met zijn oppositierol. CDA-leider De Hoop Scheffer kreeg gisteren adviezen van collega`s.

Kan het CDA oppositie voeren?

,,Nee, want het is een heidens karwei', meent oud-minister en voormalig oppositieleider Ed. van Thijn met een knipoog.

,,Ja, maar het zit niet in onze natuur', beweert CDA-leider Jaap de Hoop Scheffer met vertoon van zelfkennis.

Drie fractieleiders, één oud-fractieleider en één bijna-fractieleider debatteerden gisteren in het perscentrum Nieuwspoort in Den Haag over de kunst van het oppositie voeren. Aanleiding vormde de publikatie van het boek `De honden blaffen' van NRC Handelsblad-redacteur Kees Versteegh, waarin de oppositierol van het CDA in de periode 1994-1998 wordt beschreven.

,,Oppositievoeren is behangen tegen de wind in', citeerde Van Thijn zijn partijgenoot Suurhoff. Nederland kent volgens Van Thijn geen oppositiecultuur door de compromisgerichtheid van het politieke systeem met zijn wisselende meerderheden. Partijen, die net hebben geregeerd zijn ongeloofwaardig als ze te hard schreeuwen vanuit de oppositie en oppositiepartijen die al te direct naar een regeringspositie lonken worden snel als regeerbelust ontmaskerd. In die laatste categorie viel volgens Van Thijn al een beetje de ontluikende interesse van GroenLinks voor regeringsdeelname.

Oppositievoeren is een vak: je moet op het beslissende moment killing durven zijn, je moet gericht zijn op de zaak en je moet je momenten weten te kiezen. En het CDA ,,is die kunst niet machtig', poneerde Van Thijn. Zelf vond hij dat jammer, want volgens de vroegere fractieleider van de PvdA leidt een democratie met een zwakke oppositie tot ,,arrogantie van de macht'. ,,Paars wordt niet uitgedaagd'', stelde hij vast.

Wij kunnen best oppositievoeren, maar het zit niet in onze genen, repliceerde Jaap de Hoop Scheffer, oppositieleider van het CDA sinds 1997. Volgens De Hoop Scheffer zal het CDA altijd ,,een positiepartij'' blijven; een partij die van nature een bestuurderspartij is. ,,CDA'ers foeteren niet graag, wij kennen geen natuurlijk wantrouwen'', beweerde hij pontificaal. Geen misverstand: het CDA kan best oppositie voeren, en het beschikt ook over een alternatief. Maar de `nieuwe agenda' van het CDA heeft tijd nodig, want het gaat om niet minder dan `een nieuwe antithese', wat zoveel zou zijn als de scheiding tussen partijen die gericht zijn op het materiële en partijen, zoals het CDA, die gericht zijn op het immateriële. Die nieuwe antithese zal, zo voorspelde De Hoop Scheffer, later bij een terugblik op het einde van de twintigste eeuw als een kenmerkend verschil worden gezien.

Inmiddels is het CDA ,,een gewone partij'' geworden, die zijn toekomst deels in de oppositie en deels in de regering zal doorbrengen, voorspelde De Hoop Scheffer. Niks ervan, het CDA zal nog een kleine dertig jaar oppositiepartij blijven, zei Van Thijn met een verwijzing naar Henry Saint John Bolinkbroke, de 18e eeuwse Britse politicus, die geldt als een kenner van het oppositievoeren dat hijzelf drie decennia beoefende.

Valt er voor het CDA in de tussentijd nog iets te leren? Hans Dijkstal zag er, anders dan zijn voorganger Wiegel, vanaf het CDA van adviezen te voorzien. En een krachtige oppositie: ach, daar zat hij als vertegenwoordiger van een regeringspartij ook niet op te wachten. Voormalig Kamerlid en huidig minister Roger van Boxtel had het CDA de afgelopen jaren vooral in een `solopositie' zien voortmodderen, maar was – anders dan Dijkstal – voorstander van een krachtige oppositie: ,,Ik ben alleen maar gebaat bij een goede en een scherpe oppositie.''

Paul Rosenmöller van GroenLinks, die zichzelf als ,,de kwaliteitsoppositie' beschouwt, nodigde De Hoop Scheffer uit vaker samen te werken, zoals eind vorig jaar bij de `armoede-coalitie' die beide partijen met de vakbeweging aangingen. Daarvoor is in zijn ogen nodig dat oppositiepartijen elkaar verstaan en samen de druk op de regering opvoeren. ,,Het moet zover gaan dat regeringspartijen liever met jou zaken doen dan met elkaar.'' Voor Eimert van Middelkoop, de tweede man van de GPV-fractie in de Tweede Kamer was het glashelder: confessionele politiek is in principe gouvernementele politiek. En van een geloofwaardige oppositie kan alleen sprake zijn als er sprake is van ,,confessionele allure'', stelde hij fijntjes vast.

De Hoop Scheffer hoorde het allemaal aan en hield onverkort vast aan zijn eigen lijn, of liever aan de eigen natuur: ,,Wij zijn bestuurderspartij, zo zitten wij nu eenmaal in elkaar.