Meer studietijd

studiefinanciering is een van die zaken in Nederland die nooit af zijn. Vele ministers van Onderwijs hebben door de jaren heen het definitieve en volmaakte systeem gemaakt. Maar altijd wisten hun opvolgers een nog beter stelsel op tafel te leggen. Althans, zo werd het gepresenteerd. De werkelijke achtergrond van de vele wijzigingen was in de meeste gevallen louter een financiële. Met studiefinanciering is jaarlijks een bedrag van bijna 4,5 miljard gulden gemoeid. Een begrotingspost van een dergelijke omvang kan niet buiten discussie blijven als het gaat om de jaarlijkse verdeling van de middelen.

De uit budgettaire overwegingen aangebrachte aanpassingen hebben inmiddels tot een stelsel geleid dat elke doorzichtigheid ontbeert. Onder het mom van ultieme rechtvaardigheid bij minder uitgaven zijn zoveel verfijningen aangebracht dat het systeem van studiefinanciering voor iedere student als een van de zwaardere bijvakken is gaan fungeren. Dat minister Hermans van Onderwijs nu met wijzigingsvoorstellen is gekomen waarvan de trefwoorden luiden `flexibeler' en `eenvoudiger' is dan ook al per definitie een verbetering.

EEN VAN DE MEEST in het oog springende punten is dat Hermans de huidige termijn van zes jaar waarbinnen een studie moet worden afgemaakt – wil een student nog aanspraak maken op studiefinanciering - oprekt tot tien jaar. Dit betekent een aanzienlijke verbetering, temeer daar de leeftijdsgrens waarbij de beurs wordt stopgezet in de plannen van Hermans is verlegd van 27 naar 30 jaar. Beide voorstellen betekenen dat het systeem meer wordt toegesneden op de praktijk. Zowel studies als studenten zijn de afgelopen jaren een steeds grotere variëteit gaan vertonen. Het huidige stelsel met zijn strakke keurslijf was een ontkenning van die ontwikkeling.

Een grote stap voorwaarts is ook de nieuwe herkansingsregeling die Hermans wil invoeren. De student die in zijn eerste jaar het vereiste aantal van 21 studiepunten niet haalt, moet onder de bestaande regels de beurs terugbetalen. De puntengrens voor het eerste jaar blijft weliswaar bestaan, maar volgens de voornemens van Hermans wordt de herkansingstermijn verruimd tot tien jaar. Deze maatregel zal de kwaliteit van enkele studies zeker ten goede komen. Het vervallen van het recht op een beurs speelt onder die omstandigheden immers veel minder een rol bij de beoordeling van studieresultaten.

De hoogte van de basisbeurs verandert in het nieuwe systeem intussen nauwelijks. Wel kunnen studenten straks honderd gulden per maand meer bijlenen. Hoewel dit verlichting betekent, zullen in de praktijk studenten voor hun levensonderhoud nog op andere bronnen zijn aangewezen: ouders of een baan. Illustratief voor het `nieuwe denken' is dat Hermans de verantwoordelijkheid van de ouders niet wettelijk wil regelen.

HET NIEUWE stelsel zal de veelbesproken toegankelijkheid van het hoger onderwijs kunnen verbeteren. De student neemt in feite met zijn studie een voorschot op de toekomst. Dat is voor jongeren met draagkrachtige ouders een gemakkelijker afweging dan voor jongeren die niet op thuis kunnen terugvallen. Daar kan de overheid niet tussenkomen. De enige maatstaf moet zijn dat het niet onmogelijk gemaakt wordt een studie aan te vangen. Een verminderde studiedruk als gevolg van ruimere beursregels, zoals die nu door Hermans zijn voorgesteld, helpt daarbij.