Kwestie-uranium lang onderschat

Niet alleen met de vrachtbrieven van de verongelukte Boeing, ook de kwestie met het uranium in het staartstuk sleepte jaren voort. Toch waren er signalen genoeg, binnen èn buiten de Tweede Kamer.

Wat is het geweest: Onderschatting? Laksheid? Onkunde? Of misschien wel een combinatie van al die factoren? Nu langzaam maar zeker de feiten bekend worden over het verarmd uranium in de El Al-Boeing, dringt zich het beeld op van een overheid die in 1992 veel te makkelijk over deze kwestie lijkt te zijn heengestapt. Vast staat inmiddels dat de Amerikaanse vliegtuigfabrikant Boeing al in 1985 een waarschuwende notitie had doen uitgaan naar de Rijksluchtvaartdienst (RLD) over het verarmd uranium dat als contragewicht in het staartstuk van een aantal 747-200's was gemonteerd. Eventuele berging van deze staartstukken moest onder strenge veiligheidsmaatregelen gebeuren.

Vast staat ook dat dit vlak na de ramp bekend was in RLD-kring en bij de KLM. In Hangar 8 op Schiphol, waar de wrakstukken werden verzameld, werden zelfs strenge veiligheidsinstructies opgehangen. Zeker is verder dat deze instructies nooit zijn doorgegeven naar de ramplokatie in de Bijlmer en ook niet naar de vuilstortplaatsen waar het puin verder werd verwerkt.

Naast de berging van het verarmd uranium, zijn er verder altijd vragen geweest over de gevolgen voor de volksgezondheid van deze stof als het bij hoge temperaturen verbrandt of verstuift. Daarbij kan uraniumoxide in de atmosfeer komen.

Terugbladerend in de handelingen van de Tweede Kamer is het opvallend dat deze kwestie, ondanks de aanwezige kennis bij de RLD, meteen na de ramp niet aan de orde komt. Pas als er in 1993 steeds meer gezondheidsklachten bekend worden, begint de zaak te spelen. Op 17 september van dat jaar vraagt R. van Gijzel (PvdA) aan de toenmalige minister Maij-Weggen (Verkeer en Waterstaat) welke gevaarlijke stoffen in het rampvliegtuig zaten. In haar antwoorden rept de bewindsvrouw met geen woord over het verarmd uranium. Dat komt pas een week later aan de orde als soortgelijke vragen worden voorgelegd aan haar collega H. Alders (Milieubeheer). Blijkbaar is bij de VROM-ambtenaren iets bekend waar het ministerie van Verkeer en Waterstaat geen weet van heeft. Alders meldt dat er verarmd uranium in de staart zat, schetst enkele risico's voor de volksgezondheid, maar schrijft ook dat er weinig reden tot zorg is. Verder benadrukt hij dat op het moment van de ramp niemand hier iets wist, noch van de eventuele gezondheidseffecten.

Het wordt een standpunt dat jaren door diverse ministers wordt uitgedragen. Onderzoeken van het Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN) onderbouwen de geruststellende woorden. Toch zijn er tegengestelde geluiden. De gezondheidsklachten in de Bijlmer houden aan. Amerikaans onderzoek stelt dat verarmd uranium al bij veel lagere temperaturen in stofdeeltjes uiteen kan vallen dan ooit aangenomen. Er zijn twijfels over de manier waarop in 1992 metingen zijn verricht. En werknemers uit de hangar waar de brokstukken hebben gelegen, blijven klagen. Onder druk van de Kamer doet het ECN nóg een onderzoek, dat in september 1998 uitkomt. Daarin concludeert het instituut: ,,Wegens gebrek aan kennis over de feitelijke omstandigheden, kan gedeeltelijke of volledige oxidatie niet met honderd procent zekerheid worden uitgesloten''. Er volgen onderzoeken in Hangar 8, onder andere van TNO waar een hoge concentratie verarmd uranium wordt aangetroffen. En inmiddels heeft de parlementaire enquêtecommissie gegevens in haar bezit waaruit blijkt dat er meer gevaarlijke stoffen voor de gezondheid in de hangar zijn aangetroffen.

Op 23 juni 1998 zei minister Jorritsma (destijds Verkeer en Waterstaat) in de Tweede Kamer nog dat het verarmd uranium in 1992 ,,geen problemen'' had gegeven omdat het een stof is met ,,een verlaagd risico''. Maar de historie heeft inmiddels geleerd dat, om wat voor reden dan ook, de kwestie destijds niet echt grondig is uitgezocht. Onbewust dringt zich een vergelijking op met de vragen rond de vrachtbrieven van de El Al-Boeing. Ook daarvoor geldt, zoals het rapport-Hoekstra in juli 1998 al aantoonde, dat de Nederlandse onderzoeksautoriteiten te langzaam actie hebben ondernomen om de feiten boven water te krijgen. De documenten werden slordig (op zelfs helemaal niet) ingezameld, er is niet meteen een contra-expertise op de gevaarlijke stoffenlijst uitgevoerd en toen eenmaal duidelijk was dat niet alle gegevens bekend waren, duurde het erg lang voordat er nadere stappen werden ondernomen. In beide kwesties moet de enquêtecommissie de puzzel compleet zien te krijgen. Met het risico dat er altijd stukjes zullen ontbreken.