Jan van de Putte componeert nog kariger dan Ravel

Ravel beschreef eens zijn Boléro: ,,Het stuk duurt een dik kwartier en bevat géén muziek.'' Maar het kan nog kariger. In Huis aan de Werf in Utrecht zweefde de wijsvinger van pianist Reinier van Houdt boven de middelste e. Zou hij die toets indrukken? Nee dus, - alweer een schijnbeweging! Dit moet wel muziektheater van Jan van de Putte zijn, wie anders? Vooral in de lange coda van Quelli che restano (Zij die achterbleven), een stuk dat steeds opnieuw begint, steeds weer een aanloop neemt is het raak. Of beter, in vertrouwd muzikale zin gesproken, niet raak. Afgezien van geschuifel met de stoelen, het laten vallen van muziekbladen, het drinken van een glas water en nog enig ondefinieerbaar gedruis, dit alles exact in de partituur vastgelegd, bevat de coda, het slotdeel dat twee keer zo lang is als de Boléro, géén muziek.

Typerend voor Van de Putte's onderzoek is zijn verwondering over en scherpe analyse van het ontstaan van welk geluid ook. Op zich niets nieuws. Ook Helmut Lachenmann vraagt zich steeds af: wat betekent eigenlijk een toon voor mij? Wat gebeurt er in de interactie tussen musicus en zijn instrument? Van de Putte gaat nog verder: wat gebeurt er met ons, de luisteraars? En vooral in dit geval met ons als kijkers? Lachenmann concentreert zich op het hoorbaar maken van arbeidsprocessen en neemt dit op in een groter geheel.

Van de Putte reduceert en stileert, zijn muziek is verre van complex. De eerste melodische frase in de piano herinnert aan de late Liszt, zelfs zijn fascinatie voor Mahler is goed hoorbaar. Omdat de pianist meestal slechts één enkele toon te spelen heeft binnen een uiterst delicate context werkt een explosie in dichte akkoorden des te sterker. Prachtig is een weidse grote boog voor alle instrumenten in een langzaam dalende chromatiek als een ruimtelijk ritueel, de muziek is vooral plechtig en traag, soms uitgesproken melancholisch. Dit is allemaal zeer besteed aan het uiterst gedisciplineerd Ives Ensemble, dat veel unisoni heeft te spelen, wat betekent dat de coördinatie zonder een dirigent hoge eisen stelt. De musici moeten voortdurend naar elkaar kijken, wat met tekens voor de ogen in de partituur is opgenomen en theatraal wordt uitgewerkt.

Tijdens de voorstelling kijken wij naar een groot scherm waarop Liesbeth Hagens beelden projecteert van de naakte performer Gabi Sund. Daarin zijn annotaties aan schilderijen te herkennen. Ten slotte is de titel van dit muziektheater Quelli che restano ontleend aan een doek van de Italiaanse futurist Umberto Boccioni (1882-1916). Soms kijkt Sund recht naar het publiek, soms schuin naar beneden naar de desbetreffende musicus of musici. Harmoniumspeler John Snijders zit het dichtst op het doek, op een bepaald moment bedekt zijn hoofd Sunds kleine teen. Naast hem hebben contrabas en piano plaatsgenomen, de tweede rij is bestemd voor klarinet, accordeon en fluit.

De dramatische opbouw die gepaard gaat met een steeds verdere verkenning van Sunds lichaam is ijzersterk zowel in beeld als muziek. Twee uur lang kijk en luister je met oren en ogen op steeltjes, al doet het reusachtige scherm de balans doorslaan naar het kijken, een nieuw element in de theaterstukken van Van de Putte. In de coda is het beeld abstract, nu valt alle aandacht op de musici en juist dan gebeurt er weinig. Die onttakeling lijkt het meest typerend voor de componist, maar is ook het meest problematisch. Het laatste halfuur is wel heel afhankelijk van de bereidheid van het publiek om componist en musici te volgen. Wat zullen de zwakkeren onder ons verlangd hebben naar het niets van Ravel.

Quelli che restano van Jan van de Putte met Ives Ensemble, Gabi Sund, performance en Liesbeth Hagens, camera. Gezien:7/2 Huis aan de Werf, Utrecht. Herh: 10/2 Nijmegen, 11/2 Den Haag, 13/2 Middelburg, 21/2 De Balie Amsterdam, 25/2 Den Bosch en 27/2 Groningen.