Informatie bleef steken bij politie

De parlementaire enquête commissie die de gang van zaken rond de Bijlmerramp onderzoekt heeft vanmorgen de verhoren hervat. Deze week staat de bergingsoperatie centraal.

Om twee minuten over acht, ruim anderhalf uur nadat het El Al-vrachtvliegtuig in de Bijlmermeer was neergestort, kwam er op zondagavond 4 oktober 1992 op het hoofdkantoor van politie in Amsterdam een telefoontje binnen van de dienst luchtvaart van de rijkspolitie op Schiphol. De boodschap luidde: er bevinden zich geen explosieven (`high explosives') in het toestel, maar de lading bevat wel gevaarlijke stoffen.

De medewerker van de luchtvaartpolitie verzocht de telefonist op het hoofdbureau deze mededeling direct door te geven aan een collega van hem op de rampplek, omdat hij er zelf op de gebruikelijke frequentie niet door heen kwam. Dat gebeurde echter niet.

B. Welten, die namens de Amsterdamse politie als commissaris de bergings- en reddingswerkzaamheden coördineerde, werd hiervan niet in kennis gesteld, zo vertelde hij de enquêtecommissie van de Tweede Kamer vanmorgen. ,,Het is mij en de collega's in het veld niet ter ore gekomen.'' Pas gisteravond hoorde hij voor het eerst dat er destijds zo'n telefoontje was binnengekomen.

Welten hield de commissieleden voor dat er op de avond van de ramp honderden, zo niet duizenden telefoontjes op het bureau waren binnengekomen. ,,U zet er nu de schijnwerper op, maar het was een van de vele meldingen toen. Bovendien had deze kwestie niet zo veel aandacht als het nu steeds krijgt.'' De Amsterdamse politie is zelf inmiddels een onderzoek begonnen naar de manier waarop het bewuste telefoontje is afgehandeld. Daarbij zal in het bijzonder een band worden afgeluisterd, waarop de gesprekken van die avond op het bureau overeenkomstig een vaste routine zijn vastgelegd. De band is volgens Welten ,,om redenen van authenticiteit'' bewaard gebleven.

De politiecommandant wist destijds evenmin dat er uranium in het verongelukte toestel had gezeten. Dat vernam hij pas veel later uit kranten. Het kwam als een onaangename verrassing voor hem en zijn collega's. Als hij dat op de avond van de ramp zelf al had geweten, had hij de hulpverlening ,,op een volstrekt andere wijze gestalte gegeven''. Hij toonde zich voor de commissie verontwaardigd over het feit dat deze belangrijke informatie hem en zijn collega's was onthouden.

Welten onderstreepte dat hij en zijn team die eerste avond geheel gericht waren geweest op het bergen van de slachtoffers van de ramp en niet op de inhoud van de lading. ,,Dat had toen niet de aandacht die het in de afgelopen jaren heeft gekregen'', aldus Welten. Hij erkende dat de eerste avond voor alle betrokkenen uitermate verwarrend was geweest, maar volgens hem was dit ook onvermijdelijk en had het de hulpverlenende instanties niet aan professionaliteit ontbroken. ,,Ik denk dat het ondanks alles redelijk geölied is verlopen die avond.''

Het zou volgens hem weinig verschil hebben gemaakt als er ter plaatse volgens een rampenbestrijdingsplan zou zijn gewerkt. Ervaring en improvisatievermogen waren veel belangrijker. ,,Er was geen tijd om eens op je gemak zo'n plan door te lezen.''

Gevraagd of hij het nog mogelijk achtte dat er meer mensen bij de ramp om het leven waren gekomen dan het uiteindelijke officiële dodental van 43, zei hij: ,,Ik sluit in mijn vak nooit iets uit, maar ik acht de kans buitengewoon klein.'' De politie had destijds kosten noch moeite gespaard om de gevonden menselijke resten te identificeren en de meldingen over vermiste personen, ook illegalen, na te trekken. Kort na de ramp had men een lijst met 1.588 namen. Met behulp van DNA-onderzoek en vergelijking van soms 33 verschillende bestanden, werd uiteindelijk geconcludeerd dat het om 43 slachtoffers moest gaan, inclusief de vier mensen aan boord van het verongelukte vliegtuig.

De identificatie verliep in sommige gevallen zeer moeizaam, een jaar na de ramp werden er op een Caraïbisch eiland nog vier kisten met (zeer kleine) menselijke resten ter aarde besteld. Na de eerste weken hebben zich volgens Welten nooit meer mensen bij de politie gemeld met mededelingen of verzoeken over nog vermiste personen, die niet tot de 43 behoorden. Op de geruchten die de commissie hierover hadden bereikt, wilde hij verder niet ingaan.

Brandweercommandant C. te Boekhorst vertelde de commissie dat hij de avond van de ramp geen andere mededelingen had gekregen dan: ,,Geen gevaarlijke stoffen''. En hoewel de commandant zei dat metingen niet erg zinvol zijn als niet bekend is om welke stoffen het gaat, waren er later op de avond door de brandweer zelf toch controles uitgevoerd. Maar ook die hadden geen enkele indicatie gegeven dat er op de plek van de ramp gevaarlijke stoffen waren vrijgekomen. Deze metingen werden gedaan in overleg met de Rijksluchtvaartdienst.

Opmerkelijk was zijn mededeling dat er ,,ongeveer tot half twee 's nachts is gecontroleerd op radioactieve straling''. Eveneens zonder resultaat. Bij een vraag over de bergingswerkzaamheden en de verdwenen cockpit voice recorder zei Te Boekhorst, dat hij op een gegeven ogenblik ,,een zwartgeblakerde koektrommel'' in handen kreeg en die had overgedragen aan de politie.