Het Midden-Oosten verandert

De policymakers in het Midden-Oosten, met name de Israeli's, moeten rekening houden met een andere vredespolitiek van Jordanië, vindt Maarten Jan Hijmans. Het is niet ondenkbaar dat de nieuwe koning minder geneigd is de joodse staat tegemoet te treden dan zijn vader.

De dood van koning Hussein is de voorbode van de nodige veranderingen die het Midden-Oosten te wachten staan. De meeste leiders zijn al tientallen jaren aan het bewind en niet jong meer. Sommigen, zoals Assad van Syrië of Fahd van Saoedi-Arabië, zijn al lange tijd ziek. Van anderen, zoals Saddam Hussein of Gaddafi, is de politieke gezondheid twijfelachtig. Politieke plannenmakers, en zeker in het buurland Israel, doen er goed aan zich te realiseren dat machtswisselingen onvermijdelijk zijn en dramatische gevolgen kunnen hebben.

De begrafenis van koning Hussein bin Talal van Jordanië demonstreerde dat hier een leider het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld die uitzonderlijk geliefd was bij zijn volk. Begrafenissen als deze, waarbij de bevolking massaal uitliep en zich op straat emotionele taferelen voordeden, zijn in het Midden-Oosten niet meer vertoond sinds de dood van de Egyptische president Nasser in 1971. Begrijpelijk. Hussein was bijna een halve eeuw aan het bewind, zodat het gros van zijn onderdanen nooit een andere koning heeft gekend. Maar hij was ook de belichaming van Jordanië en daarenboven een man met een grote charme en een charisma dat ver uitsteeg boven zijn kleine postuur en het relatieve onbelang van zijn koninkrijk.

Want wat was (en is) Jordanië nu helemaal? Een land dat eigenlijk `onbestaanbaar' was: een lap onvruchtbare grond zonder bodemschatten die ooit met één pennenstreek door de Britten van de rest van Palestina was afgescheiden met een hopeloos heterogene bevolking. De helft bestond uit bedoeïenen, de andere helft was Palestijns en voor het merendeel vluchteling. Het land grensde bovendien aan Israel. Het zat zodoende op twee manieren vastgeklonken aan het Israelisch-Arabische conflict. Tot overmaat van ramp werd het ook nog eens door de Syriërs als een onderdeel gezien van het vroegere Groot-Syrië.

Zo te zien waren er dus redenen te over waarom Jordanië geen lang leven beschoren leek. Intern geenszins een eenheid, extern bedreigd door het uit de hand lopen van het conflict met Israel, de `Palestijnse factor', Syrische inmenging. Hussein heeft het allemaal aan den lijve ondervonden, maar het als een crisismanager steeds weten te bedwingen. In 1958 `bevroor' hij een democratisch experiment toen een linkse machtsovername dreigde. In 1970 voerde hij een bloedige oorlog tegen de Palestijnen die bezig waren de macht over te nemen. Tegenover Syrië voerde hij een politiek van beurtelings toenadering en afstand nemen. In het Israelisch-Arabische conflict voegde hij zich naar de Arabische consensus, maar was hij tegelijkertijd constant in gesprek met de Israeli's. En ten aanzien van de PLO was er een voortdurende wedijver om te voorkomen dat Arafat en de zijnen niet teveel het initiatief naar zich toe konden trekken en het verloop zouden bepalen van een conflict waarvan de uitkomst evenzeer van levensbelang voor Jordanië was.

Koorddansend van de ene crisis naar de andere wist Hussein te overleven. In dat proces slaagde hij erin Jordanië een definitieve plaats op de kaart te geven. Binnenslands `verdeelde en heerste' hij op meesterlijke wijze en wist hij de stammen aan zich te binden en tevens een evenwicht te bewaren tussen de bedoeïense en Palestijnse elementen. Hij werd hèt bindende element in deze heterogene samenleving, het symbool van eenheid, te vergelijken met de manier waarop Boudewijn de geliefde koning werd van een verdeeld België. Alleen in nog sterkere mate. Hij was een autocraat, men was het vaak met hem oneens en men wist dat hij fouten maakte – grote fouten soms, zoals zijn deelname aan de Zesdaagse Oorlog van 1967. Maar men vergaf hem die. Nooit ofte nimmer werd hij en publique gekritiseerd. Want wie aan de koning kwam, kwam aan de eenheid en integriteit van Jordanië.

Dat is de erfenis die Hussein zijn zoon Abdallah heeft nagelaten. Wat dat betreft komt de jonge koning in een opgemaakt bed. Maar er zijn ook andere erfenissen. Economische crisis, als gevolg van de VN-boycot van Irak die de handel in doorvoerland Jordanië blokkeert. Een hoge staatsschuld en een impopulair IMF-programma dat in 1996 als eens tot onlusten leidde. Abdallah weet daar alles van, want hij was de man aan het hoofd van de elitetroepen die de orde herstelden. Daarnaast is er een uiterst impopulair vredesverdrag met Israel, dat Hussein in 1994 sloot om niet achter te blijven in het Oslo-proces en mede de vruchten te kunnen plukken van een economische opbloei van de Westoever. Maar die opbloei bleef uit. Evenmin is Jordanië beloond met `vredesdividend', naar analogie van Egypte dat zijn vredesverdrag met Israel beloond zag met een jaarlijkse Amerikaanse bijdrage van 2,5 miljard dollar.

Hussein wist de onvrede te beteugelen op zijn manier. De invloed van de fundamentalisten in het parlement werd gereduceerd middels een uitgekiende nieuwe kieswet. En de pers werd strenger aan banden gelegd. Men vergaf het hem. Maar van Abdallah weten we nog niet of hij dezelfde charme en overtuigingskracht in huis heeft als zijn vader en dezelfde mate van politiek opportunisme tentoon kan spreiden. Zijn vader is, naar eigen zeggen, zijn grote voorbeeld, en hij mikt ontegenzeggelijk op een voortzetting van diens politiek (wat gezien de geopolitieke situatie ook nauwelijks anders zou kunnen). Toch lijkt het logisch dat de nieuwe koning, in het proces van uitbreiding van zijn machtsbasis die tot nu toe vooral tot het leger beperkt lijkt te zijn, wel wat accenten anders zal gaan leggen. Of dat zou kunnen betekenen dat hij wat minder enthousiast zal zijn voor de toenadering tot Israel dan zijn vader, moet worden afgewacht maar is niet ondenkbaar. Het lijkt in ieder geval een goede manier voor deze zoon van de Britse Toni Gardiner die beter Engels dan Arabisch spreekt, om zijn populariteit te vergroten, zich te profileren als een Arabische vorst en zijn plaats te vinden in de familie van Arabische leiders.

Zoals gezegd: het hoeft niet zo te gaan. Maar alleen al het feit dat het kàn gebeuren, zou de policymakers in het Midden-Oosten, en met name de Israeli's, aan het denken moeten zetten. De huidige politieke landkaart van het Midden-Oosten wordt nu eenmaal bepaald door enkelingen. En sommigen van hen zijn er al zo lang dat we hen als onveranderlijke grootheden zijn gaan zien. Maar ze zijn sterfelijk, allemaal boven de zestig en in sommige gevallen, zoals Assad, koning Fahd en Yasser Arafat, ook nog ziek en zonder duidelijke opvolger. In dat perspectief is de dood van Hussein het begin van een serie veranderingen die zich de komende jaren zullen voltrekken. En waarschijnlijk zijn zij niet in alle gevallen zo volwassen en beschaafd als eerder deze week in Amman.

Israel zou er goed aan doen zich te realiseren dat er sinds de vredesconferentie van Madrid van 1991 en de akkoorden van Oslo van twee jaar later een klimaat is ontstaan waarin het met deze oude mannen zaken kan doen. Maar het moet het vooral niet vergeten dat – voor het beklijven van de akkoorden die het gaat sluiten of al gesloten heeft – het nodig is er een zodanige invulling aan te geven dat niet alleen de Arabische regimes maar ook de gewone Arabieren erachter kunnen staan en er de vruchten van plukken.

Maarten Jan Hijmans is oud-correspondent in het Midden-Oosten.