Brave belastingbetalers

De Nederlandse belastingbetaler heeft een braafheid die in de wereld nauwelijks wordt geëvenaard. 25 Jaar geleden, toen twee van de drie burgers voor belastingfraude de hand niet omdraaiden, zouden velen zo'n resultaat slechts haalbaar hebben geacht in een orwelliaanse Totaalstaat die denken en doen van de burgers zo reguleert en controleert dat het beklagenswaardige volk uiteindelijk zelfs plezier krijgt in het betalen van belasting. Het is anders gegaan. Opinieonderzoeken getuigen ervan hoe een opmerkelijke samenloop van omstandigheden en strategieën de Nederlanders hebben gekneed tot een volk dat een warm gevoel van binnen krijgt bij het betalen van belasting, zowaar plezier beleeft aan het invullen van een elektronisch aangiftebiljet en frauderen verafschuwt.

In de jaren zestig en zeventig waren de belastingtarieven ongekend hoog. Ons belastingstelsel leverde zo een belangrijke bijdrage aan de nivellering van inkomens. Althans, dat was de schone schijn. Als tegenwicht voor het tot 80 procent oplopende tarief bestond er een veelheid aan aftrekposten. Zo ontstond een evenwicht waar goed mee te leven viel. De politiek hield de schijn op van een rechtvaardig stelsel en accepteerde tegelijkertijd dat velen hun eigen belastingdruk bepaalden. Voor tienduizenden vermogende landgenoten bleek nul procent de maximaal aanvaardbare druk. In vaktaal de nul-inkomens: miljonairs die geen inkomsten- en vermogensbelasting betaalden. De Rotterdamse hoogleraar Stevens vindt dat ooit nog eens uitgezocht moet worden hoe dit kon gebeuren en wie er belang bij hadden dat deze ontsnappingsroutes algemeen bekend waren terwijl de wetgever voor de hand liggende tegenmaatregelen achterwege liet.

Vooral gedreven door tariefverlagingen in het buitenland ging de wetgever uiteindelijk tot actie over. In de afgelopen periode liepen tariefverlaging, het schrappen van aftrekposten en het onmogelijk maken van constructies ongeveer gelijk op. De voorlopige afsluiting van dat proces komt op 1 januari 2001 als het belastingstelsel voor de 21ste eeuw ingaat.

Tegelijkertijd met dat wetgevende proces adopteerde de barse Belastingdienst een nieuwe strategie: de fiscus pakt alle belastingbetalers die van goede wil zijn met fluwelen handschoenen aan. Hij beschouwt hen als zijn `klanten', belastingteruggaven komen snel binnen, de hulpvaardigheid is groot, wie elektronisch aangifte wil doen komt in een gespreid bedje, en in het dagelijks verkeer is een belastingambtenaar de rotste niet. De goede klanten kwalificeren de Belastingdienst tevreden als de beste overheidsdienst.

Voor de andere belastingbetalers kan het fiscale leven echter een hel worden. Daarbij gaat het, naast degenen die toevallig tussen de wal en het schip vallen, over mensen die zich in de ogen van de Belastingdienst niet passend gedragen. Of zo'n belastingbetaler binnen de wet blijft of haar juist schendt, is alleen van belang voor de manier waarop de betrokkene wordt aangepakt. Dat hij in zwaar weer terecht komt, vloeit voort uit het subjectieve oordeel dat hij zijn eerlijke bijdrage aan de schatkist ontloopt. In die omstandigheden kan de dienst de uitzonderlijke macht die hij al heeft, nog uitbreiden door zelf wetsbepalingen op te rekken.

Eenmaal op oorlogspad zijn ook aan belastingambtenaren vreemde streken en kleinzielige reacties niet vreemd. Maar de soms toevallige bewijzen daarvoor in bijvoorbeeld rechtspraak en ombudsmanprocedures, zijn lectuur voor enkelingen. Zolang de grote massa puik wordt bediend, zit het voor de Belastingdienst wel goed; zowel in de statistieken als in het verlengde daarvan bij de Tweede Kamer.

Het gevolg van dit alles is dat slechts 13 procent van de Nederlanders een naar gevoel heeft bij het betalen van belastingen. Het systeem dat de overheid hanteert om de belastingdruk te verdelen, interesseert de burger maar matig. Pas bij dieper doorvragen ontdekt men dat de Nederlanders massaal vinden dat rijken relatief meer belasting moeten betalen dan degenen die het minder goed hebben. Maar er bestaat tegelijk onverschilligheid ten opzichte van die idealen; zij worden niet vertaald in politieke druk. Zonder veel tegenspraak kan de regering een belastingsysteem voor de 21ste eeuw opstellen dat precies het tegenovergestelde bereikt van wat de burger wil. De belastingbetaler vindt het allemaal best zolang hij er zelf maar niet op achteruitgaat.

De Nederlandse geschiedenis kent relatief weinig belastingopstanden. Het erkennen van de redelijkheid van het gezamenlijk financieren van de nationale polder zit ons in het bloed. In de naoorlogse periode heeft slechts de financiering van kruisraketten en de Kalkar-kerncentrale enkelen tot fiscale burgerlijke ongehoorzaamheid aangezet. Tegen de tijd dat de rechter de onaanvaardbaarheid hierover uitsprak, was het belastingoproertje al in de bureaucratie gesmoord.

De meegaandheid van de belastingbetaler wordt niet alleen bepaald door de mate waarin hij de belastingheffing redelijk acht. Ook de kans op straf bij ontduiking speelt een rol. Algemeen schat men die kans veel en veel groter in dan zij werkelijk is. Daarnaast is men beducht ruzie te krijgen met dat machtige apparaat met vaderlijke trekjes: vriendelijk, maar met een stok achter de rug. Vermeend speelt daar naadloos op in met het stelsel voor de 21ste eeuw. Wie bang en braaf is betaalt het meest, maar krijgt service en een bemoedigend schouderklopje. Wie brutaal is, zoals vermogenden die dreigen te emigreren, hoeft minder te betalen als hij met het systeem mee blijft doen. Wie het spel niet meespeelt, is fiscaal vogelvrij. Hoewel dat waarschijnlijk het meest lucratief is, is dat voor velen een polder te ver.

Dit is het zesde deel in de slotserie van belastingcolumns. De eerdere delen verschenen 10 december (De Tweede Kamer), 13 januari (De staatssecretaris), 20 januari (Belastingadviseurs), 27 januari (De Belastingdienst) en 3 februari (De Hoge Raad). Volgende week de laatste aflevering: een gastcolumn van prof.dr. L.G.M. Stevens over de fiscale pers.

    • Aertjan Grotenhuis