Transatlantisch partnerschap moet worden gesteund

Het Wereld Economisch Forum in Davos is dit jaar bezocht door een groot aantal Amerikanen van zeer diverse achtergrond. Op enkele uitzonderingen na leken zij verder af te staan van en minder betrokken te zijn bij Europa en de rest van de wereld dan tien jaar geleden.

Hoewel het zakenleven gemondialiseerd en de wereld steeds verder verweven raakt, bestaat er niettemin een ernstige en toenemende informatiekloof, vooral aan Amerikaanse zijde. Het establishment dat van oudsher het buitenlands beleid in oostelijke richting bepaalde, is verdwenen, en daarmee ook grotendeels het besef dat wat er in Europa gebeurt van belang is voor Amerika. De oude woorden over gemeenschappelijke doelstellingen worden nog herhaald, maar veelal maskeren ze een opmerkelijke onwetendheid en onverschilligheid ten aanzien van wat er in Europa omgaat.

Dit is deels te verklaren uit het tijdsverloop, het simpele feit dat de thans dominante generatie zich de Depressie, de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan niet herinnert. Anderzijds is er de aandachtsverschuiving naar Azië – eerst het machtige welvaartswonder vol belofte, nu de crisis die zich dreigt te verspreiden. En dan is er ook nog het einde van de Koude Oorlog en van de fixatie op vriend- en vijanddenken die daarmee samenhing.

De Amerikaanse media hebben fors het mes gezet in het buitenlandse nieuws, zo blijkt uit studies naar de aandacht die kranten en televisiestations eraan besteden. En afgezien van een dramatische oorlogssituatie zoals die in Bosnië of Kosovo wordt er weinig meer over Europa bericht. In enkele gevallen bleek tot wat voor schrikbarende misvattingen over actuele en historische kwesties dit heeft geleid.

Zo zei Steve Forbes, de vermogende uitgever en presidentskandidaat, dat Karel de Grote Europa een paar eeuwen geleden had verenigd, en waarschuwde hij ervoor dat Europa even verscheurd zou raken als Joegoslavië tenzij het zijn sociale stelsel zou hervormen en mensen meer zeggenschap over hun geld zou geven. Het was een combinatie van flagrante onkunde en een ideologie van een hier inmiddels ondenkbaar conservatisme die de Europeanen met open mond deed staan.

Voor andere, in de Verenigde Staten gerespecteerde, aanwezigen leek het buitenlands beleid louter de handel te omvatten. Velen vroegen zich af waarom de Europeanen niet alles gewoon zoals in Amerika deden, en meenden dat het niet nodig was om meer van Europa te weten.

Beter geïnformeerde Amerikanen die overtuigd zijn van het blijvende belang van de trans-Atlantische verbondenheid, beseffen dat de culturele en politieke banden uiteen dreigen te rafelen. Zij maken zich daar grote zorgen over. ,,Het is werkelijk ten hemel schreiend'', aldus een hoge Amerikaanse functionaris. Maar niemand stelde voor om er iets aan te doen.

Er is thans sprake van een toenemende discrepantie in de politieke uitgangspunten over en weer, waarbij militante conservatieven zich laten horen in Amerika terwijl elf van de vijftien EU-regeringen worden geleid door socialisten en sociaal-democraten.In Europa bestaan ook wel ultrarechtse partijen, maar die zijn nationalistisch, niet anti-regeringsgezind. Hoeveel hervormingen er ook nodig zijn, wil niemand in Europa de verzorgingsstaat geheel afschaffen.

In de Verenigde Staten wordt de kloof niet alleen door politiek rechts verbreed. Dit aloude Oostkust-establishment ligt niet alleen onder vuur vanuit het Midden-Westen en zijn traditionele isolationisme, maar ook vanuit de politieke linkervleugel en de `postmoderne' intellectuelen, die bijzondere egards voor de Europese oorsprong van de Westerse beschaving van de hand wijzen.

Er is een vete tussen waardensystemen gaande, tussen Ik, Rigoberta Menchu en Shakespeare.

Een hoogleraar legde uit dat internationale betrekkingen nog wel aan Amerikaanse universiteiten worden onderwezen, maar dat de inhoud van de studie is veranderd. De nadruk ligt nu veelal op vrouwenstudies, of op ontwikkelingsproblemen, kwesties die als politiek correct gelden. Vanuit dit gezichtspunt is onderwijs over hoe Europa functioneert en zich ontwikkelt in de omgang met sociale problemen `neokoloniaal', een regressie in het verleden.

Europa bestaat natuurlijk nog altijd, ook al is het van een aantal Amerikaanse tv-schermen verdwenen, en de geleidelijk naar elkaar toe groeiende Europese landen zijn nog altijd Amerika's belangrijkste partners in een woelige, eigengereide wereld.

Door de uitzonderlijke gedaanteverwisseling van Europa in de afgelopen halve eeuw is handhaving van de vrede in andere werelddelen thans de zorg van wereldleiders. Met de pijnlijke uitzondering van het voormalige Joegoslavië en sporen van geweld in Noord-Ierland – des te pijnlijker omdat ze tegenwoordig worden gezien als ontoelaatbare uitzonderingen – is Europa een vredig gebied en dat wil het graag blijven.

Gezien de ontwikkelingen heeft alleen het succesvolle Europees-Amerikaanse partnerschap een kans vrede in de wereld te bewaren, verbetering van de levensstandaard te stimuleren en het hoofd te bieden aan de veelheid van problemen in de wereld die ons alle aangaan maar die door de meesten niet kunnen worden opgelost. Dat partnerschap kan echter niet alleen door regeringen onderling in stand worden gehouden. Het moet worden gevoed en gesteund door de diverse gemeenschappen in de burgermaatschappij, door de wetenschapscentra, door de pure belangstelling, nieuwsgierigheid en inzet van individuele mensen voor en naar elkaar en elkaars trots en tragiek. De Amerikaans-Europese band is te belangrijk om door onwetendheid en nonchalance teloor te laten gaan.

Flora Lewis is columnist van The International Herald Tribune