RLD zweeg ook over uranium

Na de telefoontapes en de vrachtbrieven zal de de parlementaire enquêtecommissie die de Bijlmerramp onderzoekt zich deze week buigen over de kwestie rond het verarmd uranium. Morgen beginnen de openbare verhoren rond het thema `de berging'.

In kleine kring bekend, in grote kring verzwegen. Dat is het beeld dat opdoemt nu alle puzzelstukjes rondom de kwestie van het verarmd uranium in het El Al-toestel in elkaar lijken te vallen.

Terug naar de vroege ochtend van 7 oktober 1992, nog geen 72 uur na de ramp in de Bijlmermeer. De Rijksluchtvaartdienst (RLD) heeft een gedeelte van KLM hangar-8 geconfisqueerd waar alle wrakstukken van de vrachtjumbo naar toe worden gebracht. Grondwerktuigkundigen van de KLM, gewend te werken met de Boeing 747, ontdekken in een van de containers een deel van het staartroer. Zij weten dat in dit type toestel verarmd uranium als balansgewicht in het staartstuk is verwerkt en realiseren zich dat deze stof (licht)radioactief kan zijn. De KLM'ers waarschuwen de aanwezige bewakers van de hangar, zo staat te lezen in dagjournaal van de Rijkspolitie op Schiphol. Er wordt besloten om ,,de vraag voor te leggen aan de experts RLD'. Deze dienst komt meteen in actie.

Bronnen binnen de RLD vertellen dat er die dagen onderling overleg is geweest hoe om te gaan met de kwestie. In samenspraak met de stralingsdeskundige van de KLM, O. Geleyns, wordt besloten om drie pagina's `veiligheidsinstructie' op te stellen, speciaal voor de `El Al LY 1862'. De papieren worden in het afgeschermde gedeelte van Hangar 8 opgehangen. Ze laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Na een beschrijving hoe de staartstukken eruit zien en op welke plek het veramd uranium zich bevindt, volgt een lange lijst met veiligheidsinstructies (zie inzet). Binnen de RLD is er zelfs discussie of de instructies niet ook moeten worden doorgegeven naar de rampplek in de Bijlmermeer, zo vertelt een bron binnen de RLD. Maar er wordt besloten dat niet te doen. Wel zou de informatie die dagen gemeld zijn aan het ministerie van VROM (Milieubeheer).

In de Bijlmer, in de andere gedeeltes van hangar 8 en later ook op de vuilstortplaatsen waar het afval wordt verwerkt, heeft niemand er ooit iets van vernomen. Vandaag de dag wil de RLD officieel niet reageren. ,,We zullen deze zaak aan de enquêtecommissie uitleggen en niet in de pers', aldus een woordvoerder. De KLM bevestigt dat de veiligheidsinstructies zijn opgesteld en uitgedeeld. ,,Het leek ons voor onze eigen mensen zinnig om dat in Hangar 8 op te hangen. We hebben er overleg over gehad met de RLD omdat de hangar op dat moment RLD-terrein was', aldus een woordvoerder.

De nieuwe feiten lijken het gelijk aan te tonen van het PvdA-kamerlid R. van Gijzel, die het afgelopen jaar meermalen gezegd heeft dat hij vermoeddde dat de RLD vlak na de ramp op de hoogte was van de gevaren rond het bergen van verarmd uranium. Daar waren ook al andere aanwijzingen voor. In 1997 ontdekte het dagblad Trouw dat de RLD al sinds 1985 een zogenaamde `advisory circular' van de Amerikaanse luchtvaartdienst FAA in haar bezit had. Ook daarin wordt beschreven dat er speciale veiligheidsmaatregelen nodig zijn als er een vliegramp plaatsvindt waarbij verarmd uranium in het geding is.

Naar nu blijkt heeft er niet alleen een FAA-notitie in de RLD-burelen gelegen, maar is de dienst zelfs actief geattendeerd op het gevaar waarna er dus, samen met de KLM, uitgebreide instructies op papier zijn gezet. Toenmalig minister Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) schreef de Tweede Kamer op 12 september 1997 nog dat niemand de RLD op de hoogte heeft gesteld van de aanwezigheid van het verarmd uranium in het ramptoestel. Afgelopen vrijdag zei RLD-directeur H. Wolleswinkel op vragen van de parlemantaire enquêtecommissie over de mogelijke gevaren van het verarmd uranium dat hij er tijdens de ramp ,,geen seconde aan heeft gedacht' omdat verarmd uranium ,,geen reden tot zorg' is.

Wat de berging betreft geven de nu boven water gekomen veiligheidsinstructies dus een ander beeld. Vast staat ook dat verarmd uranium gevaarlijk voor de volksgezondheid kan zijn als deeltjes verbranden of verstoffen. Minister Jorritsma (destijds Verkeer en Waterstaat) heeft de Tweede Kamer steeds gezegd dat dat pas gebeurt bij temperaturen van 1000 graden of hoger, een waarde die tijdens de brand in de Bijlmer niet gehaald zou zijn. Het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) schreef in oktober 1993 dan ook dat ,,niet te verwachten''was dat er tijdens de Bijlmerramp uraniumdeeltjes zouden zijn gevormd.

Onderzoeken van onder meer de Amerikaanse strijdkrachten hebben echter aangetoond dat uranium al vanaf ruim 500 graden uiteen begint te vallen. Toen dit feit bekend werd en omdat de berichten over gezondheidsklachten die verband zouden houden met uranium maar bleven aanhouden, deed ECN, na druk van de Kamer, een nieuw onderzoek. In dat laatste rapport, uit september 1998, stelde het centrum haar eerdere mening bij: ,,Wegens gebrek aan kennis over de feitelijke omstandigheden kan gedeeltelijke of volledige oxidatie niet met honderd procent zekerheid worden uitgesloten'.

Extra complicatie is verder dat ongeveer 152 kilo van het verarmd uranium uit de El Al-staart nooit is teruggevonden. Met die stand van zaken staat de enquêtecommissie, die morgen met de openbare verhoring over de berging begint, nu voor de taak uit te zoeken hoe de vork precies in de steel zit.