Republikein moet ambtenarij bestrijden

Republikeinen moeten zich niet tegen de monarchie keren maar tegen de ambtenarij, meent P.B. Cliteur. De ambtenaren hebben de werkelijke macht en vormen daardoor een belemmering voor de democratie.

Sommige onderwerpen leiden een hardnekkig bestaan in het maatschappelijk debat, voornamelijk omdat op essentiële punten geen afspraken worden gemaakt over de gehanteerde terminologie. Dit geldt bijvoorbeeld voor discussies over godsdienst en religie.

Zo geloofde de theoloog Paul Tillich in de permanentie van een goddelijke dimensie van het leven. Atheïsme zou nooit een reële optie zijn. ,,The fundamental symbol or our ultimate concern is God'', zei Tillich. En men mag dan van mening verschillen over de aard van die god, maar het is duidelijk dat iedereen wel een ultiem engagement (`ultimate concern') heeft. Het atheïsme wordt aldus `kaltgestellt' door een semantische kunstgreep.

Iets dergelijks vindt men ook in de discussie over de vraag of we nog in een christelijke cultuur leven. De Europese cultuur wordt bepaald door allerlei waarden van islamitische, Arabische, Indische, Griekse en Romeinse herkomst. En toch zijn er mensen die met enige volharding blijven beweren dat we in een specifiek christelijke cultuur leven.

Om een zinvolle gedachtewisseling over dit soort kwesties mogelijk te maken moeten we ons afvragen onder welke voorwaarden we kunnen spreken van een geloof in God, alsook wanneer we een cultuur christelijk kunnen noemen? Hetzelfde geldt voor de discussie over de monarchie en de republiek.

In een belangwekkend artikel onder de titel `De republiek is in Nederland kansloos' (NRC Handelsblad, 30 januari) kritiseert de historicus P.F.M. Fontaine de stelling van hedendaagse republikeinen dat de republiek voor Nederland een reële optie is. Voorafgaand aan deze voortvarende stellingname zou echter de vraag moeten worden gesteld onder welke voorwaarden men een politiek systeem met enig recht een monarchie kan noemen.

Natuurlijk is het juist dat in Nederland een vorst de troonrede voorleest. Op Prinsjesdag wordt de gouden koets van stal gehaald. Ook kan men zich met verzoeken tot Hare Majesteit de Koningin richten. Maar is dat doorslaggevend voor de vraag of we leven in een monarchie?

Een monarchie betekent letterlijk een heerschappij door één persoon. Als etymologie bepalend zou zijn, zouden we dus allang niet meer in een monarchie leven. Ook het zwaartepunt van de politieke macht ligt niet meer bij een erfelijk vorst, maar bij een vlottend collectief van functionarissen die vroeger de koning dienden en tegenwoordig het volk: de ministers.

In oude boeken over het staatsrecht wordt Nederland wel aangeduid als een constitutionele monarchie. Maar dat is tegenwoordig achterhaald.

Reeds aan het begin van deze eeuw stelde de staatsrechtgeleerde H. Krabbe dat deze aanduiding niet meer de constitutionele realiteit van het Nederlandse systeem dekte. Tegenwoordig wordt Nederland doorgaans aangeduid als een democratische rechtsstaat. Een rechtsstaat, aangezien overheidsmacht beperkt wordt door het recht (art. 16 van de grondwet) en door grondrechten (art. 1 tot en met 23 van de grondwet). Een democratie, omdat de koning onschendbaar wordt geacht en de ministers verantwoordelijk zijn (art. 42, lid 1 van de grondwet). Die laatste bepaling betekende in feite de doodssteek voor de monarchie in de zin van een (echte) regering door een erfelijk vorst.

Tussen 1848 en 1866/'68 is de politieke macht van de koning verschoven naar die van de ministers. Aangezien ministers tegenwoordig democratisch gelegitimeerde functionarissen zijn, verschoof daarmee de macht van monarchie naar democratie.

Zowel het Republikeins Genootschap als zijn bestrijders zijn dus grotendeels gewikkeld in een schijngevecht, veroorzaakt door het optisch bedrog dat we nog in een monarchie leven. Zij spreken in feite over een kroon, een koets, het voorlezen van een troonrede, maar helemaal niet over de vraag wat de reële staatsvorm van Nederland is.

Is de discussie over monarchie en republiek dan geheel zinloos? Misschien niet, maar wil zij betekenis krijgen dan zouden republikeinen zich moeten afvragen of de democratisch niet-gecontroleerde macht die vroeger in handen van een vorst lag, tegenwoordig ergens anders ligt. En daarmee komen wij bij `des Pudels Kern'.

Als men zich vanuit democratisch oogpunt druk wil maken over de politieke invloed van democratisch niet of moeilijk te controleren personen en instituties, dan zou men aandacht moeten schenken aan de historische opvolger(s) van de koning. Dat zijn niet de ministers, maar de ambtenaren bij wie de niet-democratisch gecontroleerde uitvoerende macht berust die vroeger in handen lag van de vorst. Een hedendaags republikanisme zou zich dan ook niet druk moeten maken over dat kleine restje macht in handen van de vorst (het aanwijzen van een kabinetsformateur), maar over het enorme potentieel dat gevestigd is in wat men met enig optimisme het uitvoerend apparaat pleegt te noemen. De tegenstelling democratie/monarchie is niet meer van deze tijd. De tegenstelling democratie/bureaucratie wel.

Dit probleem is waarschijnlijk zo groot omdat het enige denkkracht vergt om door de schijn heen te kijken naar de reële verhoudingen. Niemand zal in Nederland betogen dat de koningin met een beroep op de vrijheid van meningsuiting in een kerstrede de troonrede mag kritiseren. Maar volgens velen is het heel gewoon en getuigt het zelfs van een progressieve gezindheid als secretarissen-generaal met een beroep op vrijheid van meningsuiting het regeerakkoord mogen kritiseren.

Uit een artikel van J.J. Stam (NRC Handelsblad, 21 oktober 1998) valt zelfs op te maken dat dit decadente inzicht (decadent typeert hier een democratie in verval) zelfs in de Memorie van Toelichting op de grondwetswijziging van 1983 te vinden is: ook ambtenaren (en dus niet alleen burgers) zouden aanspraak kunnen maken op grondrechten. Gelukkig is de tekst van de grondwet zelf nog niet bezweken voor deze antidemocratische tendenzen.

Hedendaags republikanisme zou naar mijn idee zich niet moeten concentreren op de laatste restjes macht in handen van een erfelijk vorst. Het zou zich beter op twee andere zaken moeten concentreren. In de eerste plaats op het maken van een helder onderscheid waar politieke macht wordt uitgeoefend door democratisch gelegitimeerde functionarissen en waar door niet-democratisch gelegitimeerde functionarissen. Ten tweede moet de macht van democratisch gelegitimeerde functionarissen worden versterkt en die van niet-gelegitimeerde functionarissen verminderd. Dat een republiek in de hier omlijnde zin uiteindelijk zal zegevieren over de bureaucratie is minder zeker dan dat de democratie het koningschap zal weten te beteugelen.

Paars I heeft op dit punt enig succes geboekt. Daartoe behoort de democratische controle over het Openbaar Ministerie die onlangs versterkt is, maar ook verdere beteugeling van de `Freischwebende Intelligenz' die tegenwoordig in het ambtenarenapparaat te vinden is. Als het versterken van de republikeinse dimensie van ons staatsbestel in de hier omlijnde zin zou slagen, is er niets op tegen om in naam de monarchie te handhaven, dat wil zeggen alle symbolen en rituelen van het koningschap zonder de reële politieke macht die daar vroeger bijhoorde.

Dat die nominale monarchie gehandhaafd blijft, daarover kan men overigens minder optimistisch zijn dan Lafontaine. Een monarchie kan immers binnen een democratie alleen gehandhaafd blijven wanneer de vorst en de koninklijke familie door het kabinet worden behoed voor compromitterende situaties.

De benoeming van de kroonprins in het IOC-bestuur is vanuit dit oogpunt bekeken het grootste cadeau dat het kabinet-Kok aan het Republikeins Genootschap had kunnen geven.

Dr. P.B. Cliteur is als universitair hoofddocent verbonden aan de juridische faculteit van de Universiteit Leiden.