Mierzoete meisjes en mijmerende zelfportretten

`Schilder van huis uit, schrijver door toevallige omstandigheden', zo typeerde Jacobus van Looy (1855-1930) zichzelf. Schilder van huis uit: want na de opleiding tot `huis- en rijtuigschilder' en het behalen van de M.O.-akte tekenen, werd hij in 1877 toegelaten tot de Rijksacademie van Beeldende kunsten in Amsterdam, waar hij in 1884 de Prix de Rome behaalde. Schrijver door toevallige omstandigheden: want tot het schrijven van zijn eerste prozaschets kwam hij toen hij tijdens zijn Prix de Rome-reis in Genua ziek te bed lag. Hij ontving daar van Willem Kloos de eerste aflevering van De Nieuwe Gids, en schreef Kloos, in bluf, dat het maar een somber tijdschrift was en dat hij er wel een stuk voor zou kunnen schrijven dat het niveau wat op zou krikken. Kloos antwoordde hem per briefkaart: `Wèl, doe 't dan maar', waarop Van Looy een impressie schreef van Venetië in de sneeuw.

Rond 1900 was Van Looy, impressionistisch schrijver en dichter en vertegenwoordiger van de Tachtigers, een van de meest gelezen auteurs van ons land. De autobiografische trilogie, Jaapje, Jaap en Jacob geldt als zijn belangrijkste literaire werk. Als beeldend kunstenaar kreeg Van Looy minder erkenning. Toen in 1901 een tentoonstelling van zijn schilderijen bij Arti et Amicitiae tamelijk negatief werd ontvangen, besloot hij om nooit meer te exposeren.

In de Verweyhal in Haarlem, dependance van het Frans Halsmuseum dat de nalatenschap van Van Looy beheert, is nu een tentoonstelling gewijd aan het beeldend oeuvre van Van Looy. Zijn schilderijen mogen dan in de laatste jaren op de markt `steeds hogere prijzen halen', zoals het museum in de begeleidende documentatie nadrukkelijk meedeelt, dit verandert niets aan het feit Van Looy inderdaad een middelmatig schilder was. De expositie is tegelijkertijd chronologisch en thematisch ingericht: impressies die Van Looy maakte tijdens een studiereis naar Italië en Spanje, portretten en genre-achtige taferelen, zoals café-scènes en volksfeesten, uit de periode daarna, het landschap rond zijn woonplaats Soest, en schilderijen geïnspireerd door de tuin bij het huis met atelier dat hij in 1913 had laten bouwen in Haarlem.

De teneur van deze taferelen is over het algemeen sentimenteel en anekdotisch. Vooral de kinderportretten zijn mierzoet. In Elsje, een weesmeisje (1887) houdt een mager en bleek meisje met grote ernstige ogen een boek op haar schoot getiteld God is liefde. Het onderwerp van De maaier, dat door Van Gogh en Millet zo indringend geschilderd is, mist bij Van Looy iedere zeggingskracht; De twee maaiers, geschilderd rond 1900, zien eruit alsof ze een gymnastiek-oefening doen.

Het meest bevredigend zijn de zelfportretten. De schilder toont zich hier als een mijmerende, zachtaardige man, in zichzelf gekeerd, zonder enige koketterie. Af en toe, geheel onverwacht en niet in verband te brengen met een ontwikkeling van zijn kunstenaarsschap, duikt er een doek op dat aan het middelmatige niveau ontsnapt. Zoals De Binnenplaats van het Bargello te Florence (1885), gedaan in sterke, overtuigende licht- donkercontrasten.

Van Looy had grote problemen met de olieverf-techniek, zoals is te zien is aan de treurige staat waarin zijn werk verkeert. Talrijke diepe barsten en scheuren zijn veroorzaakt doordat hij de lagen niet goed liet drogen. Onzekerheid over het werk dat hij onderhanden had dreef hem ertoe steeds delen ervan te retoucheren, zodat onhandelbare opeenhopingen van verf ontstonden die, zoals blijkt uit een restauratie-rapport, tot op de dag van vandaag nog niet zijn gedroogd Ook het vermoedelijke gebruik van bitumen om een dieper zwart en bruin te verkrijgen resulteerde in craquelé. Dit bitumen donkert bovendien zo sterk na dat sommige schilderijen bijna geheel in het zwart verdwijnen.

Het citaat `Niets is zo mooi als zien ...', dat als titel van de expositie dient, wordt door Van Looy volledig waargemaakt in zijn literaire, maar niet in zijn beeldende werk. Het visionaire dat in zijn proza zo overtuigend is, verwordt in zijn schilderijen tot pathetiek. Hoe prachtig en beeldend beschrijft Van Looy, in het verhaal De dood van mijn poes, de vlammenregen uit de mond van de straatjongen die petroleum door een brandende lucifer blaast; maar hoe kitscherig is het licht van de straatlantaarn op een feestende mensenmassa in het schilderij Oranjefeest (1890). Het kleine schilderstalent van Van Looy wordt door een omvangrijke expositie als die in Haarlem om zeep geholpen. Veel effectiever was het geweest wanneer het museum een kleine, zorgvuldige selectie van zijn schilderijen had gepresenteerd in de context van zijn literaire oeuvre.

Jacobus van Looy: schilderijen. In de Verweyhal, dependance van het Frans Halsmuseum, Grote Markt 16 te Haarlem. T/m 7 maart. Geopend ma za 11-17 uur, zo 12-17 uur. Catalogus