Flexibele student vergt aanpassing van opleidingen

Studenten kunnen straks, door de nieuwe plannen met de studiefinanciering

desgewenst een tijdje rustig aan doen. Maar kunnen de universiteiten en hogescholen dat wel aan?

Het nieuwe studiefinancieringstelsel dat minister Hermans (Onderwijs) vorige week presenteerde, sluit goed aan bij de werkelijkheid, constateren universiteiten en hogescholen opgelucht. ,,Studenten willen nu eenmaal naast hun studie tijd hebben voor andere bezigheden'', zegt R.Meijerink, voorzitter van de overkoepelende vereniging van universiteiten (VSNU). Om daaraan toe te voegen: ,,Maar het zal voor de opleidingen niet makkelijk zijn om net zo flexibel te worden als de studenten.''

De reacties op de nieuwe plannen waren overwegend positief. Voortaan krijgen studenten een beurs voor de duur van hun studie, maar mogen ze daar gedurende tien jaar gebruik van maken. Bovendien hebben studenten tot hun dertigste recht op een beurs. Studentenvakbonden, de VSNU en de HBO-raad zijn blij dat de druk om snel af te studeren, die de zesjarige prestatiebeurs met zich meebracht, van de ketel is. Volgens premier Kok ,,past het allemaal bij het moderne levensgevoel'' en de muuractiviste `Loesje' constateert opgetogen dat de studiefinanciering dit voorjaar ,,een nieuwe Loek'' krijgt.

Ondanks de enthousiaste geluiden heeft het vernieuwde stelsel nogal wat gevolgen voor de universiteiten en hogescholen. Studenten kunnen vanaf het studiejaar 2000/2001 gemakkelijk een tijdje stoppen met hun studie om te gaan werken of om naar het te buitenland te gaan.

Een probleem waar onderwijsinstellingen beducht voor zijn is de bekostiging. Het budget dat de universiteiten voor het onderwijs krijgen, staat voor een groot deel (80 procent) vast. Maar vanaf januari 2000, zo besloot Hermans al eind vorig jaar, zal de helft van het beschikbare geld afhankelijk worden van het aantal afgestudeerden. Het geld dat hogescholen krijgen was daarvan al voor het grootste deel afhankelijk.

,,Het staat als een paal boven water dat het vernieuwde stelsel consequenties moet hebben voor de bekostiging'', zegt H. De Greef, bestuursvoorzitter van de Hogeschool van Utrecht. ,,We kunnen natuurlijk geen tien jaar wachten voordat we weten hoeveel geld we voor een student krijgen.'' Daarnaast wijst hij erop dat met de nieuwe regels de kans groter is dat iemand na een studieonderbreking aan een andere instelling verder studeert. De Greef: ,,Het wordt een onhoudbare situatie als de buren geld krijgen voor het onderwijs dat wij hebben gegeven of andersom. Dat zou de onderlinge verhoudingen ernstig onder druk zetten.'' Ook Meijerink ziet bezwaren. ,,Binnen het huidige systeem zou zelfs een strijd om de ouderejaars kunnen ontbranden, omdat die het meeste geld in het laatje brengen.''

Volgens de voorzitter van de HBO-raad, F. Leijnse, gaat de bekostiging van de instellingen ,,onherroepelijk in de richting van een vouchersysteem''. Hierbij krijgt de student bonnen die hem het recht geven om een bepaalde tijd onderwijs te volgen. Wanneer en bij welke instelling mag de bezitter van de vouchers zelf bepalen. Voor een bon ontvangt de instelling een bepaalde som geld, waardoor ze gefinancieerd worden voor het onderwijs dat ze daadwerkelijk geven.

Een tweede probleem waarmee de instellingen te maken krijgen, is de aanpassing van het onderwijsprogramma aan de flexibele student. Wanneer een student de opleiding verlaat om na een paar jaar weer terug te komen, is in veel gevallen het programma veranderd of vernieuwd. Daarnaast moet een student, wanneer hij de studie elders voortzet, op de nieuwe instelling eenvoudig kunnen aangeven welk niveau hij al heeft behaald.

Op verschillende universiteiten en hogescholen wordt nagedacht over de invoering van deeldiploma's, waardoor er logische `in- en uitstapmomenten' voor de studenten komen. Meijerink zou zich een dergelijke oplossing ,,heel goed kunnen voorstellen''. J. Bronneman, secretaris van de TU Delft, wijst er wel op dat een universiteit ,,geen supermarkt kan worden'', waar iedereen naar believen in- en uitwandelt om iets van zijn gading te halen. ,,In overleg met de student moet een opleiding bekijken wat een verantwoord moment is om te stoppen. Dat kan ook per opleiding sterk verschillen.''

Aan de Universiteit Utrecht buigt men zich over de mogelijkheid van `studentcontracten', waarin afspraken tussen opleiding en student over het studietraject worden vastgelegd. ,,We zijn er nog niet uit'', zegt bestuurslid B.van Vught-Thijssen. ,,Maar dat we toe moeten naar onderwijs op maat, staat voor ons vast.''

VSNU-voorzitter Meijerink ziet grote kansen voor de universiteiten en hogescholen om zich met een flexibel studieprogramma te profileren. ,,De eenheidsworst aan studies voldeed allang niet meer aan de wensen van studenten. Instellingen zullen zich nu veel meer kunnen en moeten richten op de vraag.''