Vazallen

Toen 46 jaar geleden - 2 mei 1953 - twee 17-jarige jongens tot koning werden benoemd van respectievelijk Jordanië en Irak, waren zij het mikpunt van haat en spot van vrijwel alle nationalisten in de Arabische wereld. De twee neven, koning Hussein bin Talal en koning Faisal al-Thani, waren Hashemieten, afstammelingen van Hashem, de overgrootvader van de Profeet Mohammed. Maar deze zo eerbiedwaardige familie was in de ogen van de revolutionair gezinden een stelletje vazallen in dienst van de Westerse kolonialisten en imperialisten. Honden waren zij.

Daarom was Husseins grootvader, koning Abdallah, twee jaar eerder voor de Aqsa-moskee in Jeruzalem door een Palestijnse nationalist doodgeschoten. Daarom werd koning Faisal van Irak, vijf jaar na zijn troonsbestijging, bij een buitengewoon bloedige revolutie met bijna zijn hele familie geliquideerd. Hetzelfde diende te gebeuren met koning Hussein, van wie smalend werd gezegd: ,,Als ze hem in Londen aan zijn staart trekken, blaft hij in Amman''.

De problemen die de Hashemieten met zovelen in de Arabische wereld hadden, stamden uit de Eerste Wereldoorlog. Toen organiseerde de familie, met Lawrence of Arabia en in ruil voor de Britse belofte van één groot Arabisch rijk, een opstand tegen het Ottomaanse Imperium, dat met Duitsland en Oostenrijk oorlog voerde tegen de geallieerden. Maar de Britten verbraken vrijwel onmiddellijk hun belofte. Zij verdeelden samen met de Fransen het Midden-Oosten, en zegden de zionistische beweging een `joods nationaal tehuis' toe in Palestina, het hart van de Arabische wereld. Niettemin besloot de Hashemitische familie haar bondgenootschap met Groot-Brittannië niet te verbreken. Dat was voor de Hashemieten de enige overgebleven mogelijkheid om zich als heersers te handhaven, zeker nadat zij ook nog eens uit de Hejaz (de streek van Mekka, Medina en Jeddah) waren verjaagd. Zij legden zich erbij neer dat Syrië en Palestina buiten hun controle zouden vallen. En zij accepteerden het Britse aanbod om Jordanië en Irak te besturen als aparte Britse protectoraten. Daarmee was de droom van een verenigd Arabisch rijk van de baan.

Weliswaar wilden ook de Hashemieten nadien nog steeds Syrië, Palestina, Jordanië en Irak met elkaar verenigen, maar dan alleen onder hun eigen bijna feodale leiding. Hun tegenstanders, de revolutionaire Arabische nationalisten, die in de ban waren geraakt van een veelvoud van liberale, marxistische en Derde Wereld-ideeën moesten hiervan niets hebben. Zo kwam er een inter-Arabische oorlog op gang, die - zij het wat verstopter dan vroeger - tot op de dag van vandaag voortduurt.