Terug naar `huis'

Ik denk er ook wel eens aan. De geur van het mulle zand na een regenbui. Het dauwige gras, 's ochtends op je blote voeten. De roep van de grietjebie, het kwaken van de padden bij schemering, het gorgelen van grootvader in de ochtend, bij de kreek voor het huis. De rook uit kleine conservenblikjes, volgepropt met hooi en takjes, rondgedraaid aan een touwtje, om de muskieten weg te houden. Hielp niks, maar het ging om het idee.

De smaak van mopé, die we onder de grote boom in het spookachtige bos achter de Drambrandersgracht vonden en waarvan men zegt dat als je die ooit hebt geproefd, je altijd terugkeert naar die plek. Leuke gedachte, maar ze klopt ook niet.

Heb ik al verteld over de bananen die ik bij de ingang van het ziekenhuis kocht als ik 's middags van school kwam? Dat waren geen bananen zoals u die kent, het waren `appelbananen', kleine, dikke, zoete hompen vruchtvlees in een strak, bijna openbarstend vel waarmee je je honger voor uren kon stillen. En de mevrouw die ze verkocht, ze had ook olijven op azijn, gestoofde kersen en kokoskoeken, ik herinner me haar bruingespikkelde huid, haar slappe bovenarmen die uit de korte mouwen van de versleten jurk schommelden. `Grote sterke jongen', zei ze tegen me, mager scharminkeltje als ik was. Ik noemde haar tante. En ze had een onvoorstelbaar mooi gebit in een oud gezicht. Vals waarschijnlijk, maar het bleef mooi. Ik moest nog twee kilometer in de laaiende zon lopen, omdat waar ik woonde geen bussen kwamen. Ze sprak me moed in, de schat.

Zal ik verder gaan? De lichtval van vijf uur 's middags. Gewoon het licht, niet schijnend door bomen of zo, maar over heel Suriname. Niet geel, maar tegen het rose aan. Je kon er dan eindelijk naar kijken, naar de zon, die alles in het leven bepaalde. De enige constante factor was. Altijd aanloeide, op precies hetzelfde tijdstip, en altijd naar beneden donderde, om zes uur stipt. Martelend, zengend rond het middaguur, dat je natte dijen kreeg, al droeg je een luchtige korte broek.

De avonden. Zittend op de stenen schutting, met de jongens uit de buurt, in het licht van een straatlantaarn. Mentholsigaretten die Snowflake heetten. Die we modieus aanstampten op de nagel van de duim of de luciferdoos, zoals we in Amerikaanse films hadden gezien. Vieze verhalen vertellen, ze later ook ervaren.

Feestjes! Elke zaterdagavond afgaan op de verre, diepe dreun van de basgitaar die een soullied begeleidt. In de buurt gaan hangen van het betreffende huis op hoge neuten, waaronder met palmbladeren en rode lampjes een feesttent is ingericht. Met de geur van bami en geroosterde kip. Kijken naar de mooie, weelderig geklede meiden, hun zachtgolvende bruine haren die de hele dag in stekelige krulspelden zijn vast geweest.

Oké, oké, ik hou al op met dit gebazel. Het is zinloos, en nog een tikje gelogen ook. Dat verleden in dat verre land, ik verbeeld het me maar, zoals Rushdie leert in zijn essay `Imaginary Homelands' uit 1982. Ik ken het essay uit het hoofd, omdat het me voor het eerst duidelijk maakte dat wij, migranten en vluchtelingen, achtervolgd worden ,,door een gevoel van verlies, de behoefte om te herwinnen, ook als we door om te kijken het risico lopen in zoutpilaren te veranderen. Maar als we omkijken moeten we wel weten [...] dat we vrijwel zeker niet zullen kunnen herwinnen wat precies verloren ging; dat we, kortom, bedenksels zullen neerzetten, geen echte steden en dorpen maar onzichtbare oorden, een vaderland in de verbeelding''.

En nu wil die slimme Salman Rushdie, waarschijnlijk de belangrijkste schrijver van deze eeuw, die buiten de buik van de walvis trad en een werkelijkheid beschreef waar mensen hun levens door veranderd zagen (het is haast onvoorstelbaar wat voor theoretische omwenteling deze man te weeg heeft gebracht met zijn boeken; professoren en studenten die plotseling inzagen dat de houding van deernis en begrip voor andere culturen eerder arrogant was dan beleefd, en dat we de plicht hadden de wereld te willen veranderen in naam van een universele beschaving, enfin, ik hoef het hier allemaal niet te herhalen), nu wil deze schrandere intellectueel terug naar India. Terug naar Bombay. Terug naar `huis'.

Hij mocht het niet, sinds de verschijning van `De Duivelsverzen', de toenmalige regering die bovendien als eerste het boek verbood, vreesde rellen tussen moslims en hindoes. Tegenwoordig is er een hindoeregering aan de macht die het, geloof ik, wel grappig vindt om de moslims te jennen door Rushdie een visum te verlenen. En natuurlijk begrijpt Rushdie dit wel, hij kent het fanatisme van de huidige hindoefundamentalisten, hij kent hun bekrompenheid, hun geestelijke armoe, hun waanzin. De idiootsten onder hen ploegden zelfs het cricketveld in Delhi om, om te voorkomen dat het Pakistaanse team er tegen het Indiase zou spelen.

Een paar maanden geleden verkrachtten ze nonnen en plunderden ze kerken, omdat ook Christenen tot vijanden waren verklaard. Dat het Christendom in India eerder zijn intrede deed dan in West-Europa en dus behoort tot een van de oudste godsdiensten van het subcontinent lappen ze aan hun laars.

Salman Rushdie is indertijd gebruikt als inzet om de moslimwereld tot eenheid te brengen, wat vele doden heeft gekost. Nu mag hij de eenheid onder hindoes gaan bewerkstelligen, wat ook weer doden zal kosten. Maar dat kan de fundamentalistische hindoeleiders van het moment niet schelen, omdat ze hun aanhang zien verschrompelen, hun macht tanen. De Indiërs zijn simpel maar, zeker op den duur, niet gek. Ze snappen nu dat godsdienstfanatisme hen niet heeft gebracht wat ze willen en dat ideologie geen magen vult, om het even plat te zeggen, geen ventilatoren koopt of een auto in het vooruitzicht stelt.

Natuurlijk weet Rushdie dit allemaal, beter dan wie ook. Hij was in geen tien jaar naar Bombay geweest, wat hem niet belette in zijn jongste roman, `De laatste zucht van de moor' het levendigste en nauwkeurigste beeld van die stad te scheppen dat ik ooit gelezen heb. En nu toch naar huis willen? Is de verbeelding dan ineens niet genoeg?