`Nieuwe muziek kan met andermans akkoorden'

`Mijn muziek is mijn portret', zei Francis Poulenc (1899-1963) ooit. Dit jaar wordt zijn honderdste geboortejaar herdacht. Op de platenlabels Decca en EMI verschenen lijvige cd-boxen met muziek van de componist die in leven en oeuvre een brug sloeg tussen frivoliteit en devotie.

`Hij die half monnik, half Parijse kwajongen was', schreef het muziektijdschrift Mens en Melodie in 1963 bij het overlijden van pianist/componist Francis Poulenc. `Aan zijn wieg stonden zijn Muze en de Fortuin en zij glimlachten', begint een ander artikel. Het schetst een beeld van de man die ook wel de januskop onder de componisten wordt genoemd. Poulenc paarde hedonisme aan godsvrucht, en verwerkte in zijn muziek zowel de lichtvoetige Parijse amusementsmuziek als het katholicisme van zijn vroege jeugd.

Dat Poulenc daarvoor zonder gêne een muzikaal idioom benutte dat in zijn tijd al lang als passé gold, is hem vaak verweten, maar heeft hem nooit van de klassieke tonaliteit afgebracht. ,,Ik denk dat er plaats is voor nieuwe muziek die er niet voor terugschrikt andermans akkoorden te benutten'', zei hij zelf.

Poulenc bekocht die visie met aantijgingen als `oppervlakkig', `gemakkelijk' of `café chantant'. Maar wie vorig seizoen de produktie van zijn opera Dialogues des Carmélites bij de Nederlandse Opera heeft gezien, weet beter. Poulenc was geen innovator, maar liet een oeuvre na waarvan het belang en de eigenheid onaanvechtbaar zijn.

De anekdotes over Poulenc zijn talrijk. Felix de Nobel herinnerde zich hoe de componist tijdens een concert van het Nederlands Kamerkoor in Parijs om een uitvoering van 'k Heb mijn wagen volgeladen vroeg en zich bij inwilliging van zijn verzoeknummer op de knieën sloeg van plezier. Anderen herinneren zich dat hij zich de geneugten van het goede leven liet welgevallen – welke levensstijl hij in 1963 betaalde met de hartaanval die hem het leven kostte. Poulenc zou dit jaar honderd zijn geworden, maar het Poulencjaar dat hem huldigt openbaart zich niet zozeer in grote concertserie's als wel in een bulk aan nieuwe en heruitgebrachte cd's met zijn oeuvre op de labels EMI, waaraan Poulenc zich al vroeg verbond, en Decca.

Francis Poulenc ontving als kind zijn eerste pianolessen van zijn moeder. De kennismaking met leraar Ricardo Viñes opende in 1915 de deuren naar Ravel, Debussy, Milhaud, Satie, Honegger en de andere grote Franse componisten van zijn tijd. Nog voor hij in 1921 in Charles Koechlin de docent vond die hem op zijn eigen termen kon doorkneden in de compositorische basisvaardigheden, werd Poulenc al gerekend tot de Groupe des Six, waarin het puikje van de jonge Franse componisten zich had verzameld.

Het leven van Poulenc kan worden opgedeeld in een aantal periodes. Feit is dat zijn instrumentale muziek van voor de Tweede Wereldoorlog geldt als zijn sterkste. Met muziek bij Les Biches, een ballet van Sergej Diaghilev, brak Poulenc in 1924 door, en nog steeds geldt het werk met zijn sierlijke, ongedwongen melodiek als een van zijn beste en geliefdste orkestwerken.

Een minder kunstmatige scheidslijn vormt het jaar 1935, waarin een van Poulencs dierbaarste vrienden om het leven kwam bij een auto-ongeluk. Diep ontdaan over dit verlies hervond Poulenc het geloof van zijn jeugd, en uitte dat in het indrukwekkend verstilde koorwerk Litanies à la Vierge noire. Ook in zijn geestelijke muziek bleef hij echter trouw aan zijn zonnige natuur. `Een van Poulencs meest aanbiddelijke kwaliteiten was dat hij niets anders kon zijn dan zichzelf', schreef Benjamin Britten in 1964. In het Gloria (1959) – `het beste wat ik ooit geschreven heb' - klinkt daarom een onzware exaltatie, evenals in de daaraan overduidelijk verwante Sept répons des ténèbres (1961). Met de mengeling van opgetogen, montere melodiek en diepzinniger, meer ingetogen passages, gaf Poulenc met zijn geestelijk oeuvre een nieuwe impuls aan de katholieke kerkmuziek.

In hetzelfde jaar 1935 `hervond' Poulenc ook de bariton Pierre Bernac (1899-1979), met wie hij meer zou delen dan zijn geboortejaar. Bernac werd Poulencs vaste partner in zowel muzikale als bredere zin: `Niemand zal mijn muziek ooit beter zingen dan Bernac. Hij kent haar tot in de kleinste geheimpjes.' Het is niet verwonderlijk dat juist Poulencs liederen heden ten dage nog steeds kunnen bogen op een levendige belangstelling. Zij klinken veel frequenter dan zijn orkestmuziek, zijn semi-klassisistische Concert voor twee piano's of het door het klavecimbel als solo-instrument merkwaardige Concert champêtre, vaker ook dan de sonates voor hobo, fluit en klarinet die het hoogtepunt van zijn kamermuzikale oeuvre vormen. Want de nadruk op de melodie die geldt als een gemene deler in Poulencs oeuvre, gaf vooral zijn honderdvijfenveertig liederen de tijdloze zeggingskracht die hem de bijnaam `Schubert van de twintigste eeuw' opleverde.

Poulenc selecteerde voor zijn liederen vrijwel zonder uitzondering uitstekende teksten, wat geen verwondering wekt bij wie weet dat hij al als tienjarige vrijwillig en uit het hoofd verzen van Appolinaire reciteerde. Op de EMI-box met de verzamelde liederen is Poulenc in de liedcyclus Tel jour, telle nuit op teksten van Paul Eluard en vijf andere liederen als begeleider van Pierre Bernac ook zelf te beluisteren. De uniciteit van deze interpretaties doet betreuren dat het hierbij slechts om een zo klein aantal van de vertolkte liederen gaat.

Tot het indringendste van Poulencs vocale oeuvre behoort zonder meer ook de tragédie lyrique La voix humaine, op tekst van Jean Cocteau, met wie Poulenc van 1917 tot aan het einde van zijn leven was bevriend. In 1959 rijpte eveneens het idee voor een derde opera op Cocteau's toneelstuk La Machine Infernale, maar door Poulencs onverwachte overlijden zou het bij een idee blijven.

,,Misschien is de kern van de zaak dat het slechtste in mij tegelijkertijd het beste is'', schreef Poulenc. De kracht van zijn muziek schuilt voor hedendaagse oren in de natuurlijke frisheid van zijn melodiek, de vloeiende ernst van zijn geestelijke werken, de geestigheid die veel van zijn composities hun aansprekendheid verleent. Maar bovenal in het feit dat Poulenc tegen alle stromen in zijn eigen koers wilde varen: `Je kunt je pennevruchten wel versneld ontwikkelen met modieuze toevoegingen, maar het vereist meer moed op eigen kracht tot wasdom te komen.'

EMI bracht het complete oeuvre van Francis Poulenc op totaal twintig cd's uit in vier losse boxen, opgesplitst naar genre: piano- en kamermuziek (7243 5 66831 2 9), oeuvres lyriques (7234 5 66843 2 4), symfonische en geestelijke muziek en concerten (7243 5 66837 2 3) en liederen (7243 5 66849 2 8).

De opnames van Decca, bijeengebracht in drie boxen, zijn van recenter datum dan die bij EMI, maar ontberen bijdragen van de componist zelf: orkestmuziek en concerten (460 597-2), muziek voor pianosolo (460 598-2) en de complete liederen (460 599-2).