In de voetsporen van zijn grootvader

De Hashemieten werden door Groot-Brittannië met het straatarme Jordanië beloond voor hun diensten in de Eerste Wereldoorlog. Hussein, kleinzoon van de eerste Hashemitische koning, Abdallah, stond aanvankelijk zeer zwak, maar won uiteindelijk groot respect.

Jordanië werd op een zondagmiddag in 1921 geschapen door Winston Churchill, de toenmalige Britse minister van Kolonieën. De Hashemieten moesten op de een of andere manier alsnog worden beloond voor hun diensten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Emir Faisal, die zo'n belangrijke rol had gespeeld bij de door Lawrence of Arabia georganiseerde `Grote Arabische Opstand' van 1916/'17 en die in 1920 door de Fransen met militair geweld uit Syrië was gegooid, waar hij tot koning was uitgeroepen, had ter compensatie Irak aangeboden gekregen. Nu mocht zijn broer, emir Abdallah, een groot stuk Palestina ten oosten van de rivier de Jordaan hebben, op voorwaarde dat hij zich niet zou verzetten tegen de nieuwe, door Groot-Brittannië en Frankrijk aan de Arabieren opgelegde orde. Het door Abdallah te regeren land zou Trans-Jordanië worden genoemd. Als gevolg van dit akkoord werd het door Londen bestuurde mandaatgebied Palestina in tweeën gedeeld. Enkele maanden later werden de door de Volkenbond goedgekeurde voorwaarden voor een `joods nationaal tehuis in Palestina' niet langer toepasbaar verklaard voor Trans-Jordanië.

Trans-Jordanië was een straatarm land zonder grondstoffen. Tien jaar na de stichting had het slechts twee fabrieken: een cement en een sigarettenfabriek. Emir Abdallah was dan ook volstrekt afhankelijk van de financiële subsidies die de Britten hem gaven. Daarnaast was hij lang voor de Tweede Wereldoorlog ervan overtuigd dat de zionistische beweging te sterk en te goed georganiseerd was om militair uit te roeien. Daarom onderhield hij voortdurend contact met de zionistische leiders van Palestina. Hij hoopte hen ervan te overtuigen dat het in hun belang was als zij autonomie in een deel van Palestina zouden accepteren met hèm als soeverein. En regelmatig wendde hij zich tot hen om zijn eeuwig krappe kas aan te vullen. Die geheime contacten werden door zowel Abdallah als de zionisten als uiterst zinvol beoordeeld voor beider belangen. Ze werden slechts even onderbroken tijdens Israels onafhankelijkheidsoorlog van 1948 en vervolgens weer voortgezet.

In die oorlog slaagde Abdallah erin een stuk Palestina `voor de Arabieren te redden'. De emir, die zich in 1946 tot koning van Trans-Jordanië had uitgeroepen, annexeerde in 1949 het door hem veroverde Palestijnse gebied, dat toen Cis-Jordanië en vervolgens de Westelijke Jordaanoever werd genoemd om aan te geven dat het een onafscheidelijk deel was geworden van wat sindsdien het Hashemitische Koninkrijk Jordanië heette.

De honderdduizenden Palestijnen, die als gevolg van deze oorlog naar Jordanië waren gevlucht (het enige Arabische land dat hun onmiddellijk de eigen nationaliteit gaf) waren aanvankelijk een zware belasting voor het koninkrijk. Niemand geloofde eigenlijk in de overlevingsmogelijkheden van Jordanië. Nog in april 1956 berichtte het Amerikaanse weekblad Time met weinig gevoel voor nuance: ,,Jordanië is een land dat weinig tot geen bestaansreden heeft. Een uit de woestijn gehaald stuk, met in het zand getrokken grenzen zonder geografische eenheid, nationale identiteit, politieke geschiedenis of economische levensvatbaarheid. Het werd geschapen door en voor de Britten: een legerkamp gevestigd op de kruisverbindingen van de wereld, en een uitkijktoren in het centrum van de olielanden die zij in feite regeren.'' De stedelijke Palestijnen hadden over het algemeen een veel betere opleiding dan de Trans-Jordaniërs, die voor een groot deel Bedoeïenen waren. Zij keken minachtend neer op hun feodale koning die zijn nieuwe onderdanen op straffe van geseling beval een hoofddeksel te dragen. En zij vervloekten hem, omdat hij zo snel mogelijk vrede wilde sluiten en zaken doen met de zionistische vijand.

Toen Abdallah werd vermoord, was zijn oudste zoon, Talal, in een psychiatrische inrichting in Zwitserland. Nadat hij genezen was verklaard, keerde hij naar Amman terug om als koning op te treden. Maar enkele maanden later werd hij opnieuw opgenomen. In 1952 deed hij afstand van de troon en werd hij naar een psychiatrische inrichting in Istanbul overgebracht.

Talal had nooit goed gestaan met zijn vader, die hij slaafse onderworpenheid aan de Britten verweet. En nog steeds zijn er Palestijnse Jordaniërs die met grote stelligheid verkondigen dat Talal helemaal niet geestesziek was, maar op instigatie van zijn zeer dominante vrouw Zain, die hij regelmatig in elkaar sloeg, door de imperialisten uit de weg werd geruimd om plaats te maken voor zijn onervaren zoon Hussein.

Inderdaad trad die zoon in de voetsporen van zijn grootvader. Maar hij was politiek voorzichtiger, omdat hij zowel binnen als buitenlands zeer zwak stond. Binnenlands moest de overgrote meerderheid van zijn Palestijnse onderdanen (tweederde van de Jordaanse bevolking) niets van hem hebben. Zij werden dag in dag uit opgestookt door de radiopropaganda van zijn buren Egypte, Syrië en vanaf 1958 Irak. Geen politiek leider in de wereld overleefde zoveel moordaanslagen als koning Hussein. Dus zag ook hij de Westerse mogendheden en Israel als zijn ultieme beschermers.

Noodgedwongen werd Hussein op buitenlands politiek gebied een absoluut meester in het balanceren, afwisselend bevriend met zijn doodsvijanden in Syrië, Egypte, Irak en Saoedi-Arabië. In het binnenland regeerde hij als een traditionele sjeik. Precies zoals zijn grootvader was hij in eeuwige geldnood. Maar hij betaalde, als hij maar even kon, uit eigen zak voedsel voor de armen, huizen voor zijn gunstelingen, alsmede opleidingen en medische voorzieningen voor zijn onderdanen in het buitenland. Want hij besefte maar al te goed dat hij in laatste instantie op zijn volk moest kunnen rekenen.

Langzamerhand werd de eens zo geminachte Hussein een gerespecteerd leider. Ook zijn politieke vijanden in Jordanië respecteerden hem. Want hoewel hij een absoluut heerser bleef, ondanks alle uiterlijke vormen van democratie die hij tien jaar geleden introduceerde, was hij een van de zeldzame Arabische leiders die afkerig was van geweld en bloedige wraak. Zelfs zijn vijanden, die hem hadden geprobeerd te vermoorden, probeerde hij voor zich te winnen. Daarnaast was hij emotioneel zeer betrokken niet alleen bij het lot van zijn trouwe bedoeienen, maar ook van zijn Palestijnse onderdanen.

De zeer gewelddadige `Zwarte September' van 1970, waarin de PLO uit zijn land werd verdreven, werd hem opgedrongen door de PLO, die zijn legitimiteit als heerser over Jordanië betwistte en een anarchistische staat in de staat vestigde. Pas nadat het leger de koning in feite een ultimatum had gesteld om eindelijk tegen de PLO op te treden, gaf hij het bevel tot de aanval.

Ook zijn noodlottige en later door hem diep betreurde beslissing om in 1967 aan de kant van Egypte en Syrië oorlog te voeren tegen Israel, werd hem opgedrongen, zowel door zijn buren, als door zijn eigen bevolking. Want iedereen in de Arabische wereld was ervan overtuigd dat Israel ditmaal verslagen zou worden. In 1990 luisterde hij opnieuw naar de publieke opinie in zijn land, en toonde hij zich veel meer pro- dan anti-Saddam, toen deze Koeweit overviel. En wederom namen de persoonlijke emoties, die zo kenmerkend voor hem waren, de overhand. Hij liet zich opeens zonder uitleg of verklaring sharif noemen, de titel van zijn overgrootvader naar wie hij genoemd was, toen deze uit westelijk Saoedi-Arabië werd weggejaagd. Daarmee gaf hij impliciet te kennen dat hij alsnog het gebied van zijn voorvaderen terug wilde krijgen.

Toch was hij, in tegenstelling tot zoveel andere Arabische leiders, ervan overtuigd dat vrede en de daarmee gepaard gaande concessies voor hem, zijn dynastie, zijn volk en de Arabische wereld uiteindelijk gunstiger resultaten zouden opleveren dan oorlog. Dus zette hij zich steeds meer in voor vrede en verzoening. Misschien in het besef dat zijn land, ingeklemd tussen regionale grootmachten, machteloos was en dus op een andere manier op de kaart moest worden gezet om te overleven. Maar uit berekening of niet stak hij steeds vaker zijn nek uit, wetend dat hem dat zelfs in eigen land niet in dank zou worden afgenomen.

Koning Hussein was een man van twee werelden. Een voorzichtig, ouderwets opererende sjeik van de oude stempel, die voor zijn stamgenoten zorgde. Maar ook een moderne levensgenieter en avonturier, die mooie vrouwen evenzeer beminde als snelle auto's en door hem bestuurde vliegtuigen. Boven alles was hij een warme, charismatische figuur, die in staat was met bijna iedereen persoonlijke contacten te leggen. Daarom heeft niet alleen de Jordaanse bevolking in overgrote meerderheid alle reden verdrietig te zijn dat hun `vader' er niet meer is. Ook bij de Palestijnen en de Israeliërs, de volkeren met wie hij bloedige oorlogen voerde, hangen de vlaggen halfstok. Niet uit beleefdheid en als leeg vertoon, maar gemeend.