ICAO: geen garantie voor veilige lading

De ICAO stelt regels voor het vrachtvervoer door de lucht. Als het mag van de ICAO, betekent dat niet dat de lading ongevaarlijk is.

Toegestaan, ICAO-wise. Op de avond van de Bijlmerramp schrijft assistent-verkeersleider D. Hendriks op een klein papiertje ,,explosieven, gas en gif''. Hij schuift het briefje onder de ogen van het hoofd luchtvaartbeveiliging T. Polman en voegt er aan toe dat deze goederen volgens de richtlijnen van de International Civil Aviation Organisation (ICAO) mogen worden vervoerd. Polman vertelde dit vrijdag voor de Bijlmer-enquêtecommissie. Wat is de ICAO en wat mag volgens hun reglementen worden vervoerd?

In 1944 ondertekenden 52 landen in Chigago de conventie over internationale burgerluchtvaart. Drie jaar later werd het ICAO opgericht. Het is het agentschap voor burgerluchtvaart van de Verenigde Naties en heeft tegenwoordig 185 leden. De officiële doelstelling: zorgen voor een veilige en orderlijke groei van de luchtvaart. In 1973 stortte een vliegtuig neer omdat een aantal gevaarlijke stoffen niet goed verpakt was. Het ICAO stelde een groep experts samen en voegde in 1981 `annex 18' toe aan de conventie van Chigago. In 1984 volgde de Technical Instructions for Transportation of Dangerous Goods. Nederland is lid van de ICAO en heeft deze bepalingen opgenomen in de luchtvaartwet. De voormalige directeur-generaal van de rijksluchtvaartdienst, J.W. Weck, die vrijdag tijdelijk zijn huidige functie op het ministerie van Verkeer en Waterstaat neerlegde, was lid van de legal committee van het ICAO.

Het ruim drie centimeter dikke pak instructies van de ICAO bevat buitengewoon gedetailleerde bepalingen over het vervoer van gevaarlijke goederen. Cruciaal is dat allerlei gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd, maar dat ze op een bepaalde manier moeten zijn verpakt. Het is dus niet zo dat stoffen op de ICAO-lijst veilig zijn. Het is hoogstens zo dat ze correct verpakt zijn en volgens de ICAO-standaard worden vervoerd.

Zo zijn er instructies dat bepaalde goederen die een (chemische) reactie met elkaar kunnen aangaan, niet te dicht bij elkaar mogen worden geplaatst. Sommige goederen moeten trillingsvrij worden vervoerd, andere moeten op een speciale manier worden verpakt.

Voor de praktijk hanteert de luchtvaart een door de VN opgestelde expliciete lijst van gevaarlijke stoffen waarvoor een meldingsplicht geldt. Aan die stoffen, waarvan de aanwezigheid in een aparte verklaring moet worden opgegeven, is een zogenoemd `UN-number' toegekend, een getal van vier cijfers. Veel stoffen hebben een eigen nummer, maar gebruikelijker is dat een bepaald UN-number een hele categorie stoffen (zoals `brandbare vloeistoffen' of `giftige vaste stoffen') aanduidt. De gezagvoerder van een vliegtuig behoort een compleet overzicht te hebben van alle stoffen met een UN-number maar kan daaruit meestal niet afleiden welke stoffen hij precies vervoert omdat volstaan mag worden met vermelding van het UN-number en de naam van de categorie. Dat verklaart de vaagheid in de uitspraken van de Bijlmercommissie. En verklaart, misschien, waarom het laboratorium Omegam tributylfosfaat en gechloreerde koolwaterstoffen in de Bijlmerbodem aantrof terwijl die niet expliciet op de vrachtlijst stonden.

Overigens hoeft de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen niet altijd een gevaar op te leveren: veel hangt af van de hoeveelheden. De Boeing had het zeer gevaarlijke waterstoffluoride aan boord, maar niet meer dan een paar liter. Veel potentieel gevaarlijke stoffen (tolueen, aardoliedestillaten, en zelfs het explosief nitrocellulose dat ook aan boord was) verliezen hun gevaar als ze in een felle kerosinebrand verbranden.