Hussein: vredesluiter uit overtuiging en noodzaak

Koning Hussein moest een vredesluiter zijn, als heerser over een klein landje in een vijandige omgeving. Maar hij meende het ook.

Wie er in slaagt 46 jaar aan de macht te blijven in het Midden-Oosten, is een overlever. Koning Hussein van Jordanië was zo iemand. Hij overleefde het verlies van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem aan Israel in 1967 en hij overleefde de bloedige burgeroorlog van 1970 met de Palestijnen.

De moordenaar van zijn grootvader mikte in 1951 op een medaille op zijn borst. Vergiftigde neusdruppels liet hij net op tijd weggooien. Syrische MiGs slaagden er in 1958 niet in hem achter de stuurknuppel van een traag zakenvliegtuigje neer te schieten. President Nasser van Egypte lukte het niet hem te laten vermoorden. Palestijnse hinderlagen faalden. ,,Pogingen tot samenzweringen tegen mijn leven maakten me niet langer erg ongerust'', schreef hij laconiek in zijn uit 1962 stammende autobiografie Uneasy lies the head. ,,Zolang ik ze maar tijdig ontdekte.''

Hussein was een dapper man, en niet alleen om de manier waarop hij dit bonte gezelschap van vijanden tegemoettrad. Alleen een moedig man kon met Israel vrede sluiten op de manier waarop hij het deed. Niet de kille, berekenende vrede van de Egyptenaren, maar een warme vrede. Hij noemde het ,,de vervulling van een droom''. Hij móest een vredesluiter zijn, als koning van een klein, armlastig land in een omgeving van meest grotere, alle militair sterkere en intrigerende landen, als heerser ook over miljoenen Palestijnen, maar hij meende het.

Alleen een moedig man kon vorig jaar oktober, kaal door de chemotherapie, in het Amerikaanse Wye Plantation verschijnen om weerspannige Israeliërs en Palestijnen opnieuw bij elkaar te brengen. President Clinton toonde zich daarvoor zeer erkentelijk.

Vergeten was de Golfcrisis van 1990/1991, toen Hussein, de traditionele vriend van het Westen, de zijde koos van de Iraakse president Saddam Hussein tégen het Westen. Het was opnieuw een kwestie van overleven: onder de Jordaanse bevolking bestond overweldigende steun voor het machtige buurland.

Na de nederlaag van Irak riep hij op tot verzoening in de Arabische wereld – wat tot de dag van vandaag niet is gelukt – en distantieerde hij zich geleidelijk van Bagdad. In 1995 keerde hij zich tegen Saddam Hussein, toen hij diens twee overgelopen schoonzoons opving. Hij zei dat Irak hem had misleid, en het Westen wilde hem – in een door het Israelisch-Palestijnse vredesproces geheel gewijzigde situatie – maar wat graag geloven.

Hussein bin Talal, op 14 november 1935 in Amman geboren als lid van de Hashemitische dynastie, groeide bepaald niet in weelde op. Toen hij elf jaar was, voelde zijn moeder zich gedwongen de fiets te verkopen die hij van zijn neef Faisal, de latere koning van Irak, had gekregen. ,,Wees dapper. Je zult de fiets vergeten en in grote, glanzende auto's rijden'', troostte ze hem. ,,Ik reed in die auto's'', schreef Hussein. ,,Maar die fiets heb ik nooit vergeten. Hij bracht vijf pond op.''

Na de moord op zijn grootvader Abdallah werd Husseins vader Talal koning. Hussein werd naar Harrow, een dure kostschool in Engeland, gestuurd voor verdere studie. Maar zijn vader werd al snel wegens schizofrenie ongeschikt verklaard om te regeren, waarna Hussein in 1952 door het parlement als koning werd aangewezen. Hij keerde nog eens zes maanden naar Groot-Brittannië terug voor verdere vorming, ditmaal aan de militaire academie van Sandhurst.

In 1953 nam hij de volledige macht als koning op zich. Het was het begin van een periode waarin het ene complot de andere samenzwering opvolgde. ,,De vallen en gevaren van de Midden-Oosterse politiek'', noemde Hussein ze in zijn autobiografie. De jonge koning leek een smakelijk hapje voor zijn ambitieuze buren, Egypte en Syrië. De vorming van het anti-communistische Pact van Bagdad in 1955, tussen Groot-Brittannië, Turkije en Irak (onder leiding van Husseins neef Faisal) bracht de pan-Arabische nationalist Nasser tot razernij. Faisal kwam als ,,werktuig van de imperialisten'' onder zwaar Egyptisch vuur, en mèt hem ook Hussein, die in de persoon van `Glubb Pasha' – generaal John Glubb, commandant van het Arabisch Legioen – nauwe banden met de Britten onderhield. ,,Weg met de koning die Jordanië tot een speeltje van het Westen heeft gemaakt'', raasde radio Kairo.

Nadat Nasser, tot ontzetting van de overtuigde anti-communist Hussein, nauwere banden met het Sovjetblok had aangeknoopt, sloot Jordanië zich aan bij het Pact van Bagdad. Onmiddellijk ontstonden zware onlusten op de Westelijke Jordaanoever, waar Nasser buitengewoon populair was. ,,De Egyptische ambassade (zo ontdekten we later) maakte overuren voor propagandawerk'', schreef Hussein. Uiteindelijk werden de onlusten neergeslagen door het Arabisch Legioen, de Bedoeïenentroepen die altijd n Husseins steun en toeverlaat zijn geweest. Maar de samenzweringen gingen door.

Toen koning Faisal werd vermoord, sneed Syrië de brandstofvoorziening van Jordanië af en weigerde Saoedi-Arabië te helpen. Radio Kairo in 1958: ,,We zullen vechten tot we de misdadige koning van Jordanië hebben geliquideerd.'' Het was volgens Hussein ,,de climax van drie jaar waarin Jordanië werd onderworpen aan een genadeloze propagandaoorlog, subversie en infiltratie door communistisch-gestuurde agenten in Arabische broederlanden.''

De stichting van de staat Israel en de Arabisch-Israelische oorlog van 1948 hadden Jordanië opgescheept met een Palestijnse vluchtelingenpopulatie, groter dan de autochtone bevolking. De betrekkingen met de Palestijnen werden steeds moeizamer, met name na de vorming van de Palestijnse Bevrijdings Organisatie (PLO) in 1964, die zich – en niet Hussein – beschouwde als de enige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk. Na de rampzalige oorlog met Israel van 1967, toen Jordanië de vruchtbare Westelijke Jordaanoever verloor, groeide de rivaliteit tussen de regering en de Palestijnse guerrillaorganisaties. Deze ontwikkelden zich met behulp van wapens en geld uit andere Arabische staten tot een staat-in-de-staat en een ernstige bedreiging voor de Hashemitische monarchie. Dat mondde uit in de bloedige oorlog van 1970, de `Zwarte September', toen Husseins leger afrekende met de PLO en haar Syrische bondgenoot. De oorlog eiste duizenden levens. Hussein stond op het punt af te treden, maar zag daarvan af omdat daarmee het einde van Jordanië dreigde.

Israel was toen al tot de conclusie gekomen dat Hussein een belangrijke strategische partner was in de strijd tegen de Palestijnse revolutie en dus geholpen moest worden. Na overleg met Washington dreigde de Israelische luchtmacht met ingrijpen. De Jordaanse luchtmacht kon vervolgens gemakkelijk afrekenen met een oprukkende Syrische tankcolonne.

Op zijn beurt waarschuwde koning Hussein in 1973 tijdens een geheim bezoek aan Israels premier Golda Meir voor de op handen zijnde Egyptisch-Syrische aanval. Israel negeerde deze waarschuwing. Na deze oorlog verdiepten zich de betrekkingen tussen Hussein en Israel. De Israelische inlichtingendienst Mossad begon een belangrijke rol te spelen bij de bescherming van de Hashemitische troon. In 1994, een jaar na de afspraak tussen Israel en de PLO om vrede te sluiten, tekende Hussein met Rabin het Israelisch-Jordaanse vredesverdrag.

Ook Hussein hield, zoals alle Arabische leiders, zijn land strak in de hand. Maar na de broodrellen van 1989 voerde hij een zekere liberalisering door. De moslim-fundamentalistische oppositie kreeg veel meer ruimte dan bij voorbeeld in Egypte. De koning kon zich dat veroorloven, omdat hij groot respect had verworven bij zijn bevolking, zelfs onder de fundamentalisten en ook al groeide het ongenoegen over zijn vrede met Israel, waarvan het dividend uitbleef. ,,Aangezien ik van het begin af aan van plan was evengoed het hoofd van een familie te worden als koning van een land, maakte ik mijzelf voor allen toegankelijk'', schreef hij in 1962. ,,Hoe kon ik zelfs maar proberen een goede koning te zijn als ik mijn onderdanen niet goed kende?''

Hij werd een goede koning. ,,Hij keerde terug om thuis te sterven'', zei een Jordaanse functionaris. ,,Zo was koning Hussein. Tot op het eind dacht hij alleen aan zijn land en zijn volk.''