Hollywood: een joodse uitvinding?

Jack Warner en Samuel Goldwyn kwamen uit Polen, Carl Laemmle was Duitser, Louis B. Mayer kwam uit Rusland, William Fox en Adolph Zukor waren Hongaren – en alle zes werden zij machtige filmmagnaten. Hollywood is, kortom, dertig jaar lang geregeerd door joodse landverhuizers. Het waren hun wensdromen en idealen, hun normen en waarden die in de Hollywood-films werden weerspiegeld. Wat uitgroeide tot het veelomvattende begrip the American dream, is terug te voeren op de joden die de Hollywood-film hebben uitgevonden.

Dat was een paar jaar geleden de strekking van het boek An Empire of their own: how the Jews invented Hollywood van Neal Gabler, en op dat boek baseerde Simcha Jacobovici de meer dan bezienswaardige documentaire Hollywoodism die vanavond te zien is bij de NPS.

Dat die ondernemende joden in het amusementsbedrijf terecht kwamen, is volgens Jacobovici geen wonder. Achter het vrijheidsbeeld bleek zich immers een maatschappij te bevinden waar de joden in veel reguliere bedrijfstakken niet welkom waren. Maar op Broadway lagen de kansen nog voor het oprapen, en Hollywood moest nog helemaal worden ontwikkeld. Carl Laemmle trok als eerste, in 1915, naar de westkust om daar de filmstad Universal City te stichten. De rest volgde snel.

En zodra ze geslaagd waren, werden ze Amerikaanser dan de meeste Amerikanen. In elke biografie over elke studiobaas is het te lezen: zo gauw mogelijk schudden die mannen de herinnering aan hun shtetl van zich af. Zo is van Zukor bekend dat hij honkbal leerde spelen en kreeft at. Goldwyn scheidde van zijn joodse vrouw en trouwde met een niet-joodse. Mayer was de man die de Oscars uitvond en daarmee de nieuwe bedrijfstak een bijna aristocratisch voorkomen gaf. Ze groeiden uit tot Amerikaanse patriotten en spraken zelfs met hun kinderen zelden meer over hun joodse achtergrond. Net als, bijvoorbeeld, Abraham Tuschinski, die niet naar Amerika trok, maar zich in Nederland vestigde. Veel van wat in Hollywoodism wordt verteld over de bazen van de droomfabrieken in Hollywood, gaat ook voor een man als Tuschinski op.

Maar dan draaft Jacobovici door. Hij heeft het over het mythische Amerika uit de Hollywood-films, en beweert met grote stelligheid dat daarin de joodse idealen tot kitsch werden verwerkt. Zie de gelukkige gezinnetjes, zegt hij, zie het fatsoen en het optimisme, en zie de grote betekenis die erin werd gehecht aan de democratische vrijheid – allemaal joods gedachtengoed. Zie ook de vele films waarin een buitenstaander de hoofdrol speelt, en waarin assimilatie als hoogste goed wordt gepredikt – allemaal verklaarbaar door de joodse afkomst van de producenten. Was de volkse Eliza uit My fair Lady niet óók een buitenstaander die zich een weg moest banen naar een beter milieu? Nou dan. Zijn de hoog opslaande vlammen in Independence Day niet te vergelijken met de vlammen van de pogroms? Hij bedoelt maar. En is niet het overbekende White Christmas, geschreven door de joodse Irving Berlin, een ultieme joodse wensdroom? Nooit geweten dat kerstmis een joods feest was.

Het is een zeer tendentieus verhaal dat de documentarist opdist. Hij constateert dat Hollywood aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog nauwelijks anti-nazifilms heeft gemaakt, en weet ook hoe dat komt: de joodse producenten waren bang om als joden op te vallen en hielden zich dus liever muisstil. Welnee, kan men tegenwerpen: Adolf Hitler was toen nog ver van het Amerikaanse bed en dus geen commercieel onderwerp. Jacobovici doet net alsof Warner, Goldwyn, Laemmle, Mayer, Fox en Zukor anders dan anderen waren, en alsof in hun films niet gewoon de verhalen werden verteld die een breed publiek wilde horen. Hij schotelt ons een geweldige rijkdom aan mooi gemonteerd archiefmateriaal voor. Maar hij ziet spoken.

Het Uur van de Wolf: Hollywoodism, Ned.3, 23.22-0.37u.