Gevangenisstraf is onbedoeld toch een lijfstraf

Gevangenisstraf is bedoeld als vrijheidsstraf, waarbij de gevangene niet lichamelijk wordt gepijnigd. C. Kelk meent echter dat als gevolg van de penitentiaire organisatie een gevangene niet kan ontkomen aan fysieke kwellingen.

Recentelijk is in deze krant verschillende malen de vraag gesteld in hoeverre gevangenisstraf als lijfstraf moet worden gezien. Het is duidelijk dat in juridische zin gevangenisstraf uitsluitend de menselijke vrijheid beoogt te ontnemen zonder de gestrafte met opzet lijfelijk aan te tasten of te pijnigen. Maar opsluiting in een gevangenis blijkt in de praktijk zoveel onvermijdelijke neveneffecten te hebben dat structureel niet lijkt te ontkomen aan een aantal lijfstraffelijke associaties, hoe onbedoeld zij ook zijn. Ook door de gedetineerden zelf worden zij als zodanig ervaren.

Een en ander hangt in hoge mate samen met de organisatiestructuur van de gevangenis die nu eenmaal sterk in het teken staat van beveiliging en ongestoorde tenuitvoerlegging van de straf, hoewel daarnaast ook de resocialisatie van de gestraften gestalte dient te krijgen.

Het zware accent op orde en rust in deze organisatie vergt een relatief strak regime, terwijl vervolgens alleen met beperkte middelen verruiming en veraangenaming kunnen worden bereikt. Dat is in ieder gevangeniswezen ter wereld de harde werkelijkheid.

Overigens verschillen strafsystemen internationaal ontegenzeggelijk van elkaar in de mate waarin zij erin slagen (of wensen te slagen) een redelijk peil van humanisering te bereiken, afhankelijk als dit kan zijn van de lokale sociaal-culturele en financiële omstandigheden. Het Nederlandse strafrecht geniet in dit opzicht overigens nog altijd een relatief gunstige reputatie.

Er zijn veel – ook fysiek – kwellende elementen die uit het wezen van de vrijheidsstraf voortvloeien, zoals:

- het in letterlijke zin grote gedeelten van de dag `zitten' in een betrekkelijk kleine cel, ook al is sprake van bepaalde gemeenschappelijke activiteiten en van een strikt gereglementeerde periodieke mogelijkheid om vrijelijk de cel te verlaten;

- het in beginsel derven van frisse lucht, behalve gedurende een uur per dag op een afgebakende luchtplaats waar de wind slechts beperkt fris door de haren waait;

- het onderhevig zijn aan gedetailleerde regelingen die vaak bij voorbaat verbieden wat in de vrije maatschappij als gebruikelijk geldt of uitstellen wat de gevangene gewend was dagelijks te kunnen doen; overtreding hiervan kan leiden tot een disciplinaire bestraffing die in het ergste geval bestaat uit een verblijf van een aantal dagen in een strafcel;

- het in de eerste plaats aangewezen zijn op inrichtingseten en op eventuele bijvoeding uit conservenblikjes die men in de inrichtingskantine kan kopen;

- het niet gemakkelijk – afhankelijk van de beschikbaarheid van bewaarders en anderen - kunnen opheffen van fysieke ongemakken; met de inrichtingsarts die enige uren per dag aanwezig is valt niet zo direct contact op te nemen als met de huisarts in de vrije samenleving;

- het ontberen van het seksuele leven waaraan men gewend was en het zelf moeten vinden van, volgens velen, `pijnlijke' oplossingen daarvoor;

- het moeten missen van de dagelijkse affectie van gezins- en familieleden, kinderen of vriend(in), die men alleen tijdens kortstondige en schaarse bezoekjes in een hoogst onpersoonlijke sfeer mag `zien'; zonder de nodige affectie kan een mens niet echt gedijen en heeft hij de neiging te verzuren of te verdorren; de bezoeken in penitentiaire inrichtingen brengen in veel gevallen minstens evenveel pijn als vreugd;

- het moeten leven in de nabijheid van niet zelf gekozen anderen en het dagelijks moeten ervaren van hun leefgewoonten en eigenaardigheden en ook het moeten meemaken van hùn verdriet en uitbarstingen; in deze situatie van op elkaar gedrongen zijn kunnen gemakkelijk onderlinge afgunst en jaloezie, stress en agressie ontstaan;

- het zich moeten onderwerpen aan de visitatie van het naakte lichaam tot op de bilnaad, bij binnenkomst in de inrichting en na elk bezoek van familie en vrienden en soms zelfs na dat van advocaat en reclasseringsmedewerkers; niet alleen de gedetineerden zelf maar ook de dienstdoende bewaarders plegen deze visitatie als een lichamelijke vernedering te ervaren.

Al deze minder aangename ervaringen zijn niet erg bevorderlijk voor het fysieke en psychische welzijn maar horen er in het leven van de gestraften ontegensprekelijk bij. Men mag echter aannemen dat geen enkele gevangenisfunctionaris er veel plezier in schept om te moeten toezien dat gedetineerden vaak ook fysiek lijden, of er zou een sadist in het spel moeten zijn.

Sommige gestraften worden van het minder gezonde gevangenisleven zichtbaar vadsig, anderen vallen er juist vele kilo's van af. Afgezien van medische en geestelijke hulpverlening en van sportfaciliteiten is niemand bij machte alle euvelen werkelijk te verhelpen.

Natuurlijk is ook de Commissie van Toezicht van onafhankelijke burgers die namens de samenleving bij iedere penitentiaire inrichting is aangesteld daartoe niet in staat. Deze commissies zien er op toe dat de gedetineerden in hun afhankelijke en kwetsbare positie vanwege de inrichting op een correcte en menselijke wijze worden bejegend. Daarbij zijn deze commissies – die over door gedetineerden ingediende klachten bindende uitspraken kunnen doen – zelf gebonden aan de geldende regels en aan het gevangenisbeleid van de minister van Justitie.

Niettemin kan worden geconstateerd dat de rechtspraak van deze commissies – die thans meer dan twintig jaar bestaan – in het algemeen van grote betekenis is voor de behandeling van de gedetineerden. Op zijn minst wordt de zorgvuldigheid van het handelen van het inrichtingspersoneel erdoor bevorderd. Zou het beklagrecht wegvallen, dan zou dat bepaald negatieve consequenties voor de gedetineerden hebben, ook al worden in verreweg de meeste gevallen de klachten ongegrond verklaard. De signaalfunctie van dit beklagrecht moet allerminst worden onderschat.

Niettemin is het begrijpelijk dat gedetineerden wier concrete klacht het niet heeft gehaald snel het gevoel hebben (wederom) in de kou te staan. Het beklagrecht is vaak een laatste strohalm. Toch moeten de gevangenisfunctionarissen door dit alles niet te vlug de indruk krijgen dat zij in al hun handelen en beslissingen het enige juiste doen.

Zoals in iedere organisatie worden natuurlijk ook in de gevangenis fouten en onzorgvuldigheden begaan, maar gezien het specifieke karakter van de gevangenis kunnen dergelijke fouten daar onevenredig hard aankomen. De gedetineerde die bijvoorbeeld het bezoek van zijn vriendin moet missen omdat de portier een administratieve vergissing heeft gemaakt, lijdt daar in zijn karige en afhankelijke bestaan heel wat ernstiger onder dan iemand die in vrijheid een afspraakje misloopt.

Tekenend voor de bijzondere aard van het sterk hiërarchisch gestructureerde penitentiaire bolwerk is een opvallend groot appreciatieverschil tussen de gedetineerden en de penitentiaire functionarissen. De belevingswereld van de eersten is als het ware van beneden naar boven gericht en die van de laatsten van boven naar beneden: de perspectieven van de `lijdenden' en van de `leidenden' lopen niet erg parallel. Dat leidt er nogal eens toe dat gedetineerden zich slecht behandeld voelen waar bewaarders menen in overeenstemming met de regels te zijn opgetreden. Het is dan ook geen uitzondering dat bewaarders een bepaalde – kwellende – intentie krijgen toegedicht. Zo ontstaat gemakkelijk wederzijds wantrouwen, een vruchtbare bron voor woordenwisselingen en conflicten.

Het is voor te stellen dat ook de Commissie van Toezicht bij de behandeling van klachten nogal eens wordt geconfronteerd met dit verschil in perceptie. Vaak is het heel moeilijk een verantwoorde beslissing te nemen inzake conflicten waarbij het woord van de gedetineerde tegenover dat van de bewaarder staat.

De gevangenis is een besloten mensengemeenschap, waaraan niet alleen een forse beknotting van de grond- en mensenrechten der gedetineerden inherent is, maar waarin de uiterst verschillende posities van gedetineerden en functionarissen betrekkelijk gemakkelijk in conflicten kunnen uitmonden. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de gedetineerden gezien hun weinig rooskleurige situatie van frustratie en verbittering niet zelden licht ontvlambaar en kortaangebonden zijn. Bovendien is het contingent gedetineerden met een nogal forse psychische stoornis en/of een verslavingsproblematiek schrikbarend groot. Tenslotte is een behoorlijk aantal van hen afkomstig uit een ander land met een andere taal en een andere cultuur.

Het is duidelijk dat de samenleving bijzonder veel vraagt van de gevangenisbewaarders: bij het uitoefenen van hun veelzijdige taak moeten zij van staatswege gedetineerde personen vasthouden en tegelijkertijd menselijk en tactvol bejegenen. Dit veronderstelt een zeker `psychologisch' optreden. Daarnaast moeten zij niet minder bestand zijn tegen agressief gedrag en last but not least tegen verleidingen.

De druk die gedetineerden op het personeel uitoefenen moet niet worden onderschat. En dat daarbij pogingen tot corruptie van de kant van vermogende gedetineerden niet zijn uitgesloten (bijvoorbeeld om voor hen goederen, alcohol of drugs in te voeren) heeft de praktijk intussen meermalen aangetoond.

Toch moet gewaakt worden tegen overdreven voorstellingen daarvan en tegen het ontstaan van vooroordelen jegens het gevangenispersoneel, nu onlangs een stelselmatig onderzoek door de rijksrecherche werd aangekondigd naar de praktijk van `platte' bewaarders. Het verdient des te meer aanbeveling dat inrichtingsdirecties zich voortdurend (blijven) bezinnen op alle mogelijkheden om op (potentiële) corruptiepraktijken alert te zijn en deze tijdig te signaleren en te voorkomen.

Een ander belangrijk aspect is het geweld tussen gedetineerden onderling en dat van gedetineerden tegen het personeel. Dit maakt de functie van bewaarder er niet gemakkelijker op.

Geweldsslachtoffers onder de gedetineerden zullen zich zonder twijfel gesterkt voelen in hun overtuiging dat de vrijheidsstraf aspecten van een lijfstraf in zich bergt. Alleen al het bestaan van het risico van geweldpleging kan zeer bedreigend zijn. Ook hierop dienen directies uitermate alert te zijn en alles op alles te stellen teneinde de risico's te verminderen.

In onze strafinrichtingen kan zeker niet gesproken worden van een jungle, hoewel incidenten niet zijn uit te sluiten. Uiteindelijk is geweld op straat eveneens actueler geworden en men kan er niet omheen dat zich in de gevangenis, vaak in verscherpte vorm, herhaalt wat des samenlevings is.

Het blijft echter een feit dat welk element van de gevangenissituatie ook ter discussie staat, de gedetineerden neigen tot een meer pessimistische en de functionarissen tot een meer optimistische visie. Het is onwaarschijnlijk dat vooralsnog in deze discrepantie een fundamentele wijziging zal optreden.

Prof.dr. C. Kelk is hoogleraar strafrecht aan de Universiteit Utrecht.