Geliefd voorzitter van een club in nood

Zoals een staatshoofd wordt hij overal in de wereld met alle egards ontvangen, vergast op copieuze maaltijden en luxueuze hotelsuites, vliegt hij eerste klas en laat hij zich in limousines van hot naar haar rijden. Dure geschenken aanvaardt hij in overvloed, om het merendeel in de kelders van het Olympisch Museum op te slaan. Buiten zijn vaderland Spanje worden al zijn reizen en onkosten vergoed door het Internationaal Olympisch Comité. Binnen zijn land kan hij zichzelf wel bedruipen. Want voor het geld hoeft Juan Antonio Samaranch niet voorzitter van het IOC te zijn.

Zijn vader was een selfmade textielbaron, de familie van zijn vrouw Maria Teresa Salisachs was nog veel rijker. Samaranch wilde geen geld, hij wilde vooral macht. Al in 1960 liet de sportliefhebber die in rolhockey en boksen maar niet kon uitblinken, volgens biograaf Jaume Boix Angelot blijken dat hij later IOC-voorzitter wilde worden. Alles moest wijken. Hij was bereid potentiële vijanden voor zijn kar te spannen en ontwikkelde zich tot een uitmuntend strateeg. Onder generalissimo Franco klom hij op tot onder-secretaris van sport en werd hij in 1966 lid van het IOC.

Daar, onder de vleugels van de fascistische leider, begint de discussie over de positie van Samaranch als voorzitter van het IOC. Te pas en te onpas wordt de Spanjaard geconfronteerd met zijn relatie met Franco. De meeste aantijgingen laat hij, gewend aan tegenspraak, langs zich heen gaan. Soms grijpt hij in wanneer belangrijke journalisten hem in een kwaad daglicht stellen en niet de moeite nemen hem om een weerwoord te vragen. Tegen The New York Times wilde hij best iets zeggen over zijn verleden: ,,Ik schaam me niet voor wat ik heb gedaan in Spanje. Franco deed goede dingen voor mijn land. Hij hield ons uit de Tweede Wereldoorlog, hij hielp Spanje aan een middenklasse en hij koos een goede opvolger, de koning.''

De Engelse journalist Jennings kreeg als antwoord op zijn twee boeken over manipulatie en corruptie in het IOC een rechtszaak aan zijn broek – die hij verloor. Afgelopen week mocht Jennings voor het eerst sinds vier jaar weer Zwitserland in. Als een dementerende hofnar zocht hij amechtig naar microfoons en tv-camera's, bracht hij schreeuwend de fascistengroet totdat iedereen kotsmisselijk van hem werd en hij voorgoed zijn geloofwaardigheid verloor.

De accreditatie van Jennings behoort tot een poging tot meer openheid van Samaranch. Hij raakt niet meer onder de indruk van kritiek en het nadrukkelijke verzoek van de politiek om af te treden. Het dozijn IOC-leden dat zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de regels, doet hem zeer. Maar dat is alles. Samaranch weet zich dan ook omringd door een sterk gezelschap, zoals hij vroeger als zakenman en politicus potentiële vijanden al aan zich bond.

De Amerikaanse juriste DeFrantz, hoofdbestuurslid, wil dat Samaranch blijft omdat hij meer vrouwen IOC-lid heeft gemaakt en meer vrouwenonderdelen op de Spelen heeft gebracht. Ex-schaatser Koss wil net als alle leden van de onafhankelijke atletencommissie niets weten van een vertrek van Samaranch. Hij heeft het IOC in 1980 van het bankroet verlost, hij heeft de olympische beweging onder de mensen gebracht, zeggen alle IOC-leden. ,,Ik heb fouten gemaakt'', zegt Samaranch. ,,Ik had het IOC met de commercialisering transparanter moeten maken. Daarvoor word ik nu achtervolgd.''

Wie krijgt hem weg? Niemand. Zeker niet dat onnozele Kamerlid in Nederland dat naar de microfoon holde en premier Kok toebeet: ,,Samaranch is een fascist.'' Die durfde. Hij mag wel blij zijn dat de IOC-voorzitter dat niet kon horen.