Erge dingen als `Jozef zat te geilen'

Wie van schilderijen houdt waarop lezende vrouwen staan afgebeeld, komt in het jongste nummer van Literatuur aan zijn trekken. Een tijd lang heb ik reproducties van zulke schilderijen verzameld, maar Love Sonnets (1894) van Marie Spartali Stillman en Een lievelingsdichter (1888) van Sir Lawrence Alma-Tadema kende ik nog niet. In Literatuur staan ze (helaas niet in kleur) afgedrukt bij een gedegen artikel van Ton Anbeek over de geschiedenis van de roman, waar het blad mee opent. Weliswaar zijn grote gedeelten van dit stuk ontleend aan Anbeeks Drienderwolde Lezing uit 1996, maar hij doet ook een aantal nieuwe uitspraken. Hij voorspelt bijvoorbeeld `de terugkeer van de plot' in de roman van de toekomst.

Veel aandacht besteedt Anbeek aan de vraag, waarom op het ogenblik de roman een genre is dat bij uitstek door vrouwen wordt gelezen. Dat is niet altijd zo geweest. De plotloze, realistische roman die eind vorige eeuw onder invloed van Zola ook in de Nederlandse literatuur zijn intrede deed, was nauwelijks aan vrouwen besteed. Die mochten namelijk geen boeken lezen waarin `erge dingen' voorkwamen.

De eerste naturalistische roman in Nederland, Van Deyssels Een liefde, moest vanzelfsprekend `uit de fijne handen van het gevoelige geslacht blijven', want daarin, zo memoreert Anbeek, staan zinnen als `Jozef zat te geilen als een gek'. En dan heeft hij het nog niet eens over het beruchte dertiende hoofdstuk van deze roman waarin een vrouwelijke masturbatiescène voorkomt. Niettemin kan uit bevindingen van zowel Couperus als Marcellus Emants worden opgemaakt, dat Nederlandse romans rond de eeuwwisseling wel degelijk ook voer waren voor lezeressen en wel vrouwen uit de middenstand jonger dan 35'.

Uitvoerig gaat Anbeek in op lezersonderzoeken waaruit blijkt, dat tegenwoordig vrouwen 74 procent meer tijd besteden aan het lezen van boeken dan mannen. De literaire cultuur wordt momenteel gedragen door vrouwen die voor 1950 zijn geboren. Volgens Anbeek gaat hun voorkeur vooral uit naar `romans die door de kritiek matig of uitgesproken negatief besproken werden'. Als voorbeeld noemt hij onder andere I.M. van Connie Palmen, wat merkwaardig is omdat Anbeek eerder in Literatuur overtuigend aantoonde dat I.M op een enkele uitzondering na door literaire critici juist positief is gerecenseerd.

Desondanks houdt Anbeek staande dat de literaire kritiek over het algemeen die boeken gunstig beoordeelt die geen groot lezerspubliek trekken. Deze discrepantie tussen kritiek en publiek zal volgens hem binnen niet al te lange tijd worden opgeheven, omdat `nieuwe lezers' (zoals middelbare scholieren die gemiddeld maar vier minuten per dag lezen) `niet zitten te wachten op diepgravende recensies'. Hij denkt dat `columnachtige reacties' er beter ingaan. In dat verband beschouwt hij de wisseling van de wacht bij HP/De Tijd, waar de gedegen literaire recensent Jaap Goedegebuuren is vervangen door de columnist Max Pam, niet als een incident, maar `als symptoom van een veel ingrijpender verschuiving'.

En passant blijkt dat Ton Anbeek (jammer genoeg) stopt met zijn rubriek `Recensent ook der recensenten', maar gelukkig komt er iets voor in de plaats. Vanaf dit eerste nummer van 1999 biedt Literatuur plaats aan deskundigen op het gebied van buitenlandse letteren (germanisten, romanisten, anglisten) die een vergelijking trekken tussen hun vakgebied en de Nederlandse literatuur.

Het spits wordt afgebeten door hispanist Maarten Steenmeijer. Hij volgt iedere week de literaire supplementen van de Spaanse dagbladen El Pais en ABC en zet de boekrecensies daarin af tegen de kritieken in Nederlandse kwaliteitskranten. De Nederlandse winnen het, omdat het hem `keer op keer de grootste moeite kost om in elk geval een indruk te krijgen van wat een Spaanse criticus nu eigenlijk vindt van een boek'. Spaanse critici vertrekken volgens hem niet vanuit hun eigen ervaringen in de literatuur of in het leven, maar stapelen het ene grote woord op het andere. `Het specifieke van het boek en de particuliere visie van de bespreker worden opgeofferd aan een quasi-diepzinnige zichzelf uithollende retoriek.'

Mooi geschreven, maar toch niet erg bevredigend is de briefwisseling tussen de schrijfster Nelleke Noordervliet en de achttiende-eeuwse geleerde Nederlandse vrouw Petronella Johanna de Timmerman. Nelleke Noordervliet verwijt deze oudere vriendin van Betje Wolff, dat ze niet strijdbaarder is geweest. `Strijdlust, mevrouw, in plaats van gemoedsrust! Wie weet hadden we dan een eeuw eerder een Aletta Jacobs gehad.'

Op dit nogal a-historische verwijt krijgt Noordervliet een verstandig antwoord van De Timmerman, voor de gelegenheid geformuleerd door Johanna Stouten, hoogleraar neerlandistiek aan de Sorbonne. Het ideetje is leuk, maar meer ook niet. In plaats van de mooi geformuleerde fantasieën van Noordervliet en Stouten lees ik veel liever een op feiten gebaseerde biografische schets van de dame in kwestie.

Literatuur. Tijdschrift over Nederlandse letterkunde. 99-1, jaargang 16, jan/febr. Uitg. Amsterdam University Press. Prijs f15,-.