Blumenfeld

Tepels waren wel zijn specialiteit. Ik kan me niet herinneren ergens zulke mooie tepels te hebben gezien, op foto's of in het echt. Het is een beetje vreemd om met zoiets opwindends te worden geconfronteerd in het Joods Historisch Museum, in die voormalige synagoge waar toch altijd een wat ingetogen, religieuze sfeer hangt; maar de tentoonstelling van foto's van Erwin Blumenfeld (1897-1969) is nu eenmaal daar. En religieus of niet, het blijft een aangenaam museum, waar je na alle opwinding kunt bijkomen met lekkere matzes met suiker.

Wat is het verschil tussen fotograferen en schilderen? Op weg naar het museum las ik in Mariëtte Havemans boekje Over fotografen (1992) en herkende veel van wat zij daar schrijft over de terloopsheid van het medium. Fotografie heeft iets onnadrukkelijks, een willekeurige passant kan ineens fotograaf blijken te zijn en een beeld vangen dat de andere passanten was ontgaan. Het had ook ietsje anders kunnen zijn, maar het was nu net zó.

In een goede fotograaf gaan twee tegenstrijdige eigenschappen samen, te weten rusteloosheid, en een sterk concentratievermogen, het vermogen om heel goed – rustig – te kijken. Zijn bagage is licht, zijn gedrevenheid groot. Er is een zekere overeenkomst met schetsen, maar anders dan een schets heeft een foto dat verbijsterend `echte', registreert zij als zij wil elke speling van het licht, iedere plooi. (Ach, kon een mens maar één keer de sensatie navoelen die het in 1840 was om zomaar, uit het niets, de afdruk van iemands spiegelbeeld te zien. Wie dat wil proberen, moet elders in Amsterdam zijn, namelijk in het Rijksmuseum, waar foto's van Eduard Isaac Asser te zien zijn. Vooral de daguerrotypieën, waarbij de geportretteerde moeizaam oplicht uit een soort spiegeltje, geven een indruk van een effect dat destijds niet minder dan spookachtig moet zijn geweest.)

Rusteloosheid en concentratievermogen: fotograaf zijn is niet zozeer een beroep als wel een karaktereigenschap. Haveman schrijft over het dilettantisme dat in de fotografie altijd een rol gespeeld heeft; dat was ook bij Asser zo. Sommige grote fotografen legden een soort zelfontkenning, ja zelfdestructie aan de dag: `Let maar niet op mij, ik doe eigenlijk niets bijzonders, en ik heb geen idee waarom ik het doe.'

Het werk van Blumenfeld heeft ook die uitstraling. Zelfs zijn meest geënsceneerde foto's (en hij ensceneerde veel) hebben iets speels, een zekere vluchtigheid. Ze zeggen: nu ja, morgen doe ik weer wat anders. En dat deed hij dan ook.

Van speelsheid naar balorigheid is maar een stapje. Waarom zou je, zoals Blumenfeld deed, een foto van een meisjesborst van opzij, die niet alleen de opgerezen tepel maar ook de structuur van de blote huid prachtig laat zien, verdubbelen tot twee borsten tegenover elkaar, waarvan één ondersteboven? Het effect doet denken aan die bekende tekening van twee profielen, waarvan de tussenruimte een vaas vormt. Van diezelfde foto heeft hij ook nog eens een positieve en een negatieve versie gemaakt, zwart-wit en wit-zwart. Balorig? Kan zijn. Het was maar een idee.

Blumenfeld hield van mooie vrouwen en fotografeerde ze op hun mooist: teder, zwierig, verstild. Amsterdamse vrouwen die begin jaren '30 zijn tassenwinkel in de Kalverstraat binnenliepen, werden de onsterfelijkheid in getild door zijn camera. Na 1936 fotografeerde hij voor Vogue, in een soort historische luwte waarin de commercie het nog net niet gewonnen had van de kunst.

Hij wekt de indruk voortdurend te spelen, te proberen, en daarbij toevallig prachtige beelden te vangen. De schaduw van de Eiffeltoren op zonnig Parijs, een foto die hij ook weer negatief heeft gemaakt om juist de huizen in die schaduw te laten zien. Hoe moet je zoiets noemen: een vrolijke kunstgreep?

Twee vroege, lugubere collage-portretten van Adolf Hitler herinneren aan het feit dat Blumenfelds leven niet altijd even licht was. Maar zijn foto's zijn dat wel. Niet zonder gewicht, maar on-zwaar. Precies zoals bij het medium past.