Advocaat is ook ondernemer

De Nederlandse mededingingsautoriteit heeft – in een voorlopige uitspraak – bepaald dat advocaten ondernemers zijn en de Orde een ondernemersvereniging. Worden hiermee de gedragsregels, de toga, de eed en `de taak bij de rechtsbedeling' nog slechts een aardig stuk advocaten- folklore?

Het recht lijkt een markt van vraag en aanbod geworden en is dus kennelijk aan die marktprincipes onderhevig, inclusief het daarbij behorende mededingingsrecht.

P.A. Wackie Eysten maakte al eens `een duikvlucht over de advocatuur' en hij liet zien dat in het oude Rome reeds een `patronus' als advocaat van zijn `cliens' (slaaf) optrad. De hulp van de meester was een (ere)plicht, in ruil voor de vergaande diensten aan de cliens, en de patronus werd voor zijn hulp niet betaald. Sterker, het schijnt verboden te zijn geweest. Die zuivere dienstverlening vervaagde al in het latere Rome. Vanaf de vierde eeuw na Christus achtte de toenmalige keizer het van publiek belang dat iedere burger een `redelijke vergoeding' moest betalen voor rechtskundige voorlichting en processuele bijstand. De advocatuur werd aldus een beroep.

De plaats die advocaten in de samenleving innemen, verschuift in de loop der eeuwen. In het oude Rome werden advocaten vergeleken met soldaten omdat zij, net als soldaten, streden voor het vaderland en haar onderdanen. Het opkomen voor de zwakkeren van de samenleving, desnoods pro deo, is lange tijd kenmerkend voor de advocatuur. In de Middeleeuwen wordt deze taak om `Godtswillen' verricht'. Ten tijde van Napoleon komen de advocaten op voor `les faibles et les opprimés'.

De taak van de advocaat bij de rechtmatige verdeling van het recht verschuift aldus naar een `wezenlijke rol' bij de rechtsbedeling. Zijn primaire taak wordt het dienen van het belang van zijn cliënt.

Deze verschuivingen, die gekarakteriseerd kunnen worden als een verschuiving van beroep naar bedrijf – die gepaard ging met de enorme groei van het aantal advocaten, de specialisering en de commercialisering vanaf de zestiger jaren en recentelijk de komst van de `nieuwe toetreders' – lijken uit te monden in de `erkenning' door de Nederlandse mededingingsautoriteit van de advocaat tot ondernemer.

Bij het ontstaan van de allereerste `associaties' (advocatenkantoren) adviseerden Nauta en Van Regteren Altena in 1925 de Nederlandse Advocaten Vereniging over de `beroep- of bedrijf' kwestie.

Als verschil tussen een beroep en een bedrijf definieerde Van Regteren dat een bedrijfsuitoefening primair een materieel doel had, maar een beroep in eerste aanleg een ideëel doel. Verder bestond er volgens hem een principiële tegenstelling tussen een advocaat en een ondernemer door het ontbreken van een pro deo praktijk in het bedrijfsleven.

Nauta meende dat een advocaat, die als overheersende drijfveer een geldelijk gewin had, een gevaar was voor de advocatuur. De advocaat werd door een dergelijk drijfveer ongeschikt voor zijn taak; namelijk het meewerken aan de verwezenlijking van het recht.

Wat mij betreft slaan de heren preadviseurs (nog steeds) de spijker op zijn kop. Zoals zij de taak van de advocaat van die van een `gewone' ondernemer onderscheiden, is nog steeds actueel. Het verrichten van een zaak pro deo is nagenoeg verdwenen, in dat opzicht is de advocaat een gewone ondernemer geworden. Bij een aantal grotere advocatenkantoren is het zelfs niet toegestaan op basis van toevoegingen te werken (een toevoeging levert weinig op, maar het is geen pro deo werk). Maar het is niet alleen het verdwijnen van een pro deo praktijk die de advocaat doet `verworden' tot een ondernemer.

De aandacht voor de `plaats bij de rechtsbedeling' en het algemeen belang van `het meewerken aan het recht' zijn als wezenlijk element van de advocatuur amper te herkennen. Met de komst van juristen in dienst van rechtsbijstandverzekeraars, juridische afdelingen bij accountantskantoren e.d. heeft de advocatuur zich laten meeslepen in de concurrentiestrijd. Het ware beter geweest dat de advocaten, onder leiding van de Orde, de principiële discussie die Nauta en Van Alteren Regteren reeds in 1925 aanzwengelden, met elkaar waren aangegaan. Misschien was de uitkomst van die discussie dan wel dezelfde geweest als die van de Nederlandse Mededingingsautoriteit; een advocaat is een ondernemer. En misschien had dat er wel toe geleid dat de gedragsregels, de toga en de eed waren afgeschaft.

Maar misschien had de discussie ook wel uitgemond in een jaarlijkse revisering van de eed, beroepsethiek als verplicht vak in de beroepsopleiding en de verplichting voor iedere advocaat jaarlijks twee zaken (echt) pro deo te doen in het belang van een eerlijke rechtsbedeling. Ook zou een niet aflatende aandacht voor `het meewerken aan het recht' centraal kunnen staan bij jaarlijkse ordevergaderingen. Dan zou de advocatuur misschien met recht kunnen zeggen, in reactie op het oordeel van de Nederlandse mededingingsautoriteit, dat zij het algemeen belang dient, en niet alleen het eigen belang van de ondernemer. Met andere woorden; dat zij niet opereren op de markt van het recht en dat het recht niet door marktpricipes wordt beheerst.

Mr.drs. Christ'l W.M. Dullaert is oud- advocaat en rechtsfilosoof