`Wat moeten we zonder onze koning?'

Koningsgezind Jordanië bracht de afgelopen nacht zappend door. `Zijn hart doet het nog. Wij hopen op een wonder.'

De Filippijnse bediende doet de deur open. Aan de andere kant van de monumentale marmeren hal staat, bovenaan de trap, Souad Tabbaa met een verfrommeld zakdoekje in de ene hand en de afstandsbediening van de tv in de andere. ,,O mijn God,'' zegt zij met verstikte stem, ,,wij hoorden zojuist op het nieuws dat de koninklijke familie heeft besloten koning Hussein aan de apparaten te laten. Zijn hart doet het nog. Wij hopen op een wonder. Wat moeten wij zonder de koning?''

Sinds de familie Tabbaa donderdagavond hoorde dat koning Hussein vanuit de kankerkliniek in Minnesota naar Jordanië zou vliegen om in eigen land te sterven, heeft niemand in huis meer een oog dichtgedaan. Ook vannacht brachten Souad, haar echtgenoot Bandar en hun volwassen kinderen zappend voor de televisie door, mobiele telefoons onder handbereik.

Jordanië is niet in rep en roer. Jordanië is volledig verlamd. Straten zijn leeg. In restaurants hangt het personeel bij gebrek aan klandizie met het oor aan de radio. Voorzover mensen vandaag, een gewone werkdag, naar kantoor gaan, hebben ze het over de koning en proberen ze de laatste roddels over wie de toekomstige koning Abdallah als zijn kroonprins zal aanwijzen: zijn broer Hamza of toch zijn broer Faisal? Abdallahs oudste zoon, Hussein, is immers pas vier.

Op de bovenste verdieping van het gigantische huis van de familie Tabbaa vertelt een van de vrienden van de jongste zoon, die bij een buitenlandse ambassade werkt, dat hij dit weekeinde vijftien aanvragen moet behandelen van jonge Jordaniërs die voor-het-geval-dat een paspoort willen aanvragen – en normaal krijgt hij hoogstens één aanvraag per dag. ,,Ik ben waarschijnlijk de enige die nog werkt'', zegt hij met een treurige grijns.

Wat `voor het-geval-dat' betekent, weet niemand. Zelfs de familie Tabbaa, een upper-class familie die sinds de jaren dertig nauwe banden heeft met het koningshuis, heeft geen flauw idee wat het land te wachten staat.

Een nicht van Bandar, Alia, is getrouwd met Faisal, de tweede zoon van koning Hussein. Alia is telefonisch niet te bereiken – zelfs niet voor haar moeder. Sabri, de jongste zoon, is goed bevriend met prins Ali, de derde zoon van de koning.

Ook Ali brengt de nacht door aan het bed van zijn vader, in het King Hussein Medical Center, de zwaar afgeschermde kliniek even buiten Amman waar vannacht vele honderden mensen in de gutsende regen Koranverzen lazen en wachtten op een verlossend woord dat maar niet kwam.

Net als alle andere Jordaniërs moeten de Tabbaa's gissen naar de reden waarom de koninklijke familie Hussein, die al klinisch dood zou zijn, voorlopig kunstmatig in leven wil laten.

Is het echt omdat het religieus omstreden is om de stekker eruit te trekken? Of kloppen de geruchten dat de koning al overleden is, maar dat de familie het niet bekend wil maken om buitenlandse leiders als de Amerikaanse president Clinton de gelegenheid te geven op tijd op de begrafenis te komen? De begrafenis die, volgens islamitisch gebruik, al binnen 24 uur na het overlijden moet plaatsvinden?

Of woedt er, zoals weer anderen zeggen, werkelijk een familievete aan het bed van de koning over wie kroonprins Abdallah ooit moet opvolgen?

Bandar, een gepensioneerde zakenman in een duur poloshirt die onophoudelijk sigaretten rookt, zucht: ,,Dit land is geheel op poten gezet door de koning. Hij is groter dan Jordanië. Niemand gelooft dat er onrust zal komen als hij dood is. We kennen Abdallah. Hij is verstandig en vriendelijk als zijn vader, die bovendien van de Profeet Mohammed afstamt, en dus accepteren wij hem. Het punt is, we zullen de koning zo vreselijk missen. Hij zit in ons bloed. Onder onze nagels. Daarom zijn we nerveus en verlamd.''

Bandars broer ging naar school met de koning. In Salt, want er was in die dagen geen middelbare school in Amman. Als het 's avonds donker werd, deden ze hun huiswerk onder de gaslampen op straat. De Tabbaa's waren toen al rijk – Bandars vader maalde graan in de eerste molen van het land, en leende de toenmalige koning Abdallah, Husseins vader, geregeld geld – maar ook zij hadden geen elektriciteit. De geasfalteerde weg hield op bij wat nu het vliegveld is. Nu zijn er dertien universiteiten in Jordanië, is er een effectenbeurs en zijn er directe vluchten naar alle windstreken. Bandar, die de molens van zijn vader later automatiseerde en onder andere Audi's en Peugeots uit Europa importeerde, kent de koning goed. ,,Hij at vaak bij ons. We fietsten samen. Jaren later stond je bij een stoplicht te wachten en draaide de koning naast je zijn raampje open: `Hoe gaat het met je, sidi?' Sidi, `mijn meester', zo sprak hij zelfs vuilnismannen aan!''

Het huis hangt vol portretten in grote zilveren lijsten: Bandars vader met de koning, Bandar zelf met de koning. Bandars vader was zo goed bevriend met koning Husseins vader dat hij het allereerste paspoort van Jordanië kreeg: met het nummer 1 erop. Souad, Bandars tweede vrouw, gekleed in een design-overhemd met Donald Duck erop, belt met de bediendes en haar zoon: zij moeten boven het paspoort zoeken. Intussen vertoont de Jordaanse televisie, op grootbeeld, films van de koning in zijn jonge jaren – te paard, met zijn gezin, met hoog buitenlands bezoek – afgewisseld met documentaires over het landschap rond Amman of een olijfoogst. Voor nieuws moeten ze, zoals altijd, bij CNN zijn. Of bij Sky, of de BBC. ,,O mijn God, hij leeft nog.''

Laat op de avond komen zoon Sabri en zijn vrienden naar beneden. Ze hebben in Zwitserland, Amerika of Frankrijk gestudeerd, en zitten nu allen in de zaak van hun vaders. Dure leren jacks, Engelse schoenen. Een van hen heeft onlangs een Italiaans restaurant geopend, dat avond aan avond volzit met andere vermogende come back kids. Een hunner woont tegenover de kliniek waar de koning nu verblijft, en heeft de hele dag vanaf het balkon zitten turen in de hoop op – ja, op wat eigenlijk? ,,Kom, we gaan wat eten.'' Souad huilt weer bij de deur.

In de Jeep Cherokee met stoelverwarming breekt een discussie los over kroonprins Abdallah en 's konings broer, Hassan, die tot twee weken geleden troonopvolger was. Een hunner had gewild dat de koning Hassan niet opzij had gezet. ,,Hij had ervaring. Hij wilde economische hervormingen doorvoeren. Dat is goed voor Jordanië.'' Een ander vliegt op: ,,Hee! Als de koning dat heeft besloten, is het goed voor Jordanië. Alles wat hij besluit, is altijd goed geweest voor Jordanië. En je weet, Hassan mag populair zijn bij een deel van de elite, het volk wil Abdallah.'' Sah, klopt, vinden de anderen.

Ze eten pizza en pasta met vier soorten Franse kaas. Ze nemen de kandidaten door voor het premierschap, want allen verwachten dat kroonprins Abdallah spoedig de zittende regering gaat vervangen die immers nog door zijn voorganger Hassan is aangewezen. Toen koning Hussein nog vief was, wisten ze tenminste wie in de gratie was en wie niet. ,,Nu, met Abdallah, moet nog blijken wie de gunstelingen zijn.'' Steeds als er een mobiele telefoon rinkelt, verstijft de hele tafel. Iedereen belt iedereen. Alle vluchten naar Amman zitten vol met Jordaniërs die zich naar huis spoeden om erbij te zijn als de koning sterft. Iemand moet straks zijn moeder ophalen, die enkel uit Parijs kon terugkeren via Athene en Beiroet. ,,Net als vroeger,'' zegt iemand, ,,toen er nauwelijks directe vluchten waren op Amman.'' Ze kijken elkaar aan. ,,Ja, maar toen hadden we de koning nog,'' zegt een ander. ,,Zie je?'' concludeert een derde. ,,We komen steeds weer uit op koning Hussein. God hebbe zijn ziel.''