Stofmijt

NU DE BEL voor de laatste ronde op weg naar het jaar 2000 echt is gegaan, zijn de kranten ineens een stuk stiller over het millenniumprobleem. Het lawaai heeft zich verplaatst naar STER-blokken, billboards en advertentiekolommen. Dat lijkt merkwaardig, want juist nu is de naamsbekendheid van het probleem groter dan ooit, maar het is niet per definitie onzinnig.

Neem nou de in dramatisch zwart-wit uitgevoerde televisiespotjes gericht op het midden- en kleinbedrijf: een meneer of mevrouw kijkt je met verschrikte ogen aan, en vertelt dat het millenniumprobleem bij een test in zijn, respectievelijk haar, bedrijf voor een groot, maar concreet en begrijpelijk probleem zorgde. Dus gingen de schouders eronder: `bloed zweet en tranen heeft het gekost, maar we hebben het gered'. Het is moddervet aangezet, maar overdrijving maakt in dit geval de zaak wel duidelijk. Prima steun voor eenzame automatiseringschefs in kleinere bedrijven, die bang zijn om openlijk toe te geven dat ook hun speeltuin misschien niet deugt, en om bij hun baas om een hoop extra geld te vragen, alleen maar om de zeperd van de eeuw weg te poetsen. Dat volgens de spotjes al dat zweet en bloed geplengd wordt om niet meer dan `je belt je leverancier, je belt je branche-organisatie', zullen we de initiatiefnemers maar vergeven.

Bij nader inzien is het nu pas verschijnen van zo'n reclameachtige voorlichtingscampagne ook minder gek dan het lijkt. Er wordt in de spotjes namelijk absoluut niet uitgelegd om wat voor probleem het gaat. Dat wordt, in grote lijnen, bekend verondersteld. En zo moet het ook, want reclamecampagnes lenen zich alleen voor hele korte, simpele boodschappen. Boodschappen zonder bijzinnen als het ware, van het kaliber `nu nog lekkerder!', `pas op!' of `ook u!”. Uitleg over de aard van het millenniumprobleem is voor het medium reclame veel te complex; dat moest eerst via de redactionele kolommen gebeuren. Zo werkt dus de echte pers soms als introducerende reclamecampagne, waarna de reclame het echte verkoopwerk doet. Het kan raar lopen.

Maar het kan altijd raarder, zoals in Amsterdam. Daar stopt de gemeente, die toch al zucht en kraakt onder de last van hele en half mislukte automatiseringsprojecten, ook al kostbaar geld in een reclamecampagne over het millenniumprobleem: men bedacht een halfgaar mannetje (leuk, leuk!) met de knullige naam `bugman' (cool, cool!), dat bang is van brillen en andere dingen die op een dubbele nul lijken (creatief, creatief!). Dat mannetje moet via billboards het draagvlak voor en de naamsbekendheid van het millenniumprobleem onder de bevolking verbreden. Wie het begrijpt mag het zeggen, en wie snapt wat de zin ervan is, ook. Wat moet de consument hiermee? Wat kan die doen aan het millenniumprobleem? Het doet ernstig vermoeden dat het gemeentebestuur van de hoofdstad zelf werkelijk niet de flauwste notie heeft van waar het om draait. En dát is pas echt om bang van te worden. Ik heb het al eens eerder geschreven: je zult maar klant van de Amsterdamse sociale dienst zijn, of een bouwvergunning nodig hebben.

Maar ook keurige wetenschappers houden er soms bizarre denkbeelden op na over dat rare millenniumprobleem. Zo sloeg informaticus Jan Bergstra in een interview in het decembernummer van `Hypothese', het huisorgaan van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), één keer de spijker op zijn kop en langdurig op zijn duim. Perfect was zijn antwoord op de vraag wat er op 1 januari 2000 zou gaan gebeuren. Bergstra: ``Dat is precies dezelfde vraag als de vraag wat de AEX-index op die dag doet. Niemand weet wat er gaat gebeuren.'' Maar voor de rest ging het mis.

Over de aard van het millenniumprobleem, de mogelijkheid dat er op allerlei plaatsen kleinigheden mis zullen gaan die door hun gelijktijdig optreden een ernstig sneeuwbaleffect zouden kunnen veroorzaken, zegt hij: ``Ik zeg tegen mijn studenten: `Kan Jan Timmer met zijn Millennium Platform niet eens ophouden? Het is toch GOED als een aantal bedrijven over de kop gaat omdat ze hun automatisering niet op orde hebben!' En: `En wat is er nou zo erg aan als zeventig procent van de bedrijven over de kop gaat? Daar kunnen we toch tegen? Het is een ontstellende, stompzinnige bezorgdheid'.'' Tja, je zal maar bij een van al die bedrijven werken, of ervan afhankelijk zijn. Nog daargelaten of Nederland echt bestand is tegen een serieuze vloedgolf van faillissementen.

Al even apodictisch veroordeelt Bergstra de inzet van, wat in het interview `schoolverlaters' heten om software schoon te maken: ``Kún je het je voorstellen! Ik zeg steeds: `wordt hier niet de reputatie van ons vak vernietigd? Het is toch een écht vak!? Je gaat toch geen amateurs inhuren!! Het had nooit op die manier aangepakt mogen worden'.'' De vraag rijst dan wel hoe het wél had moeten worden aangepakt, want we begrijpen dat Bergstra zelf absoluut geweigerd had om mee te werken. Immers: eigen schuld van die domme bedrijven, laat ze maar failliet gaan, is zijn opvatting.

Veel erger is dat Bergstra hier laat zien weinig te snappen van zowel wat echte vakken zijn als van het millenniumprobleem. Het millenniumprobleem is intellectueel gezien net zo interessant als stofmijt. Duchtig stofzuigen helpt, maar echt schoon krijg je de boel nooit. Waarom je daarvoor dure en schaarse top-informatici van hun werk zou houden is een raadsel. En wat is er zo kwalijk aan de inzet van amateurs? Is Bergstra dan vergeten dat het gros van de wetenschap waarop hij voortbouwt, is opgebouwd door nieuwsgierige amateurs? Mensen die zich met echte problemen bezighielden, in plaats van zich zorgen te maken over het imago van hun bezigheden.

Bergstra bewoont welbewust en uit overtuiging het penthouse van de aloude ivoren toren. Informatici, zegt hij, ``zijn niet verantwoordelijk voor de economische ontwikkeling. De academische informatica staat net zo ver van de economie af als de politicologie van de politiek''. Maar ergens niet verantwoordelijk voor zijn is nog iets anders dan er, zoals Bergstra, niets van willen weten. Laat de ivoren toren dus vooral blijven bestaan, om verfijnde zielen als Bergstra ver van de echte wereld te houden.