Roos

Gebeurt er hier eigenlijk nog iets? Er is een proces gaande tegen een bommenlegger – vier zigeunerkinderen kwamen om – die in de rechtszaal alleen maar leuzen schreeuwt: `Buitenlandersbloed, nee, dank u! Duitsvijandig racisme, nee, dank u! Zionistische germanenvervolging, nee, dank u! Verder zag ik op station Ottakring een in bontjassen gehuld paar bij elkaar op schoot zitten, en diezelfde avond was er een dronken man in de Kärntnerstrasse. Dat zijn de enige bijzonderheden die ik uit deze stad kan melden.

Ik ga een roos leggen op het graf van het onbekende arme meisje. Aan de Donau, nog achter de containerhavens en de laatste bestofte silo's ligt het kerkhof voor aangespoelde lijken, het `Friedhof der Namenlosen'. Er liggen hier, zo was me verteld, veel meisjes die in het begin van deze eeuw in wanhoop van een brug sprongen, evenzovele slachtoffers van de toenmalige morele economie. De betere burgerij trouwde laat, er waren dus veel loslopende jongemannen, en om die kloof te dichten beschikte iedere grotere Europese stad over een groot reservoir aan treurigheid en mooie verhalen: naaistertjes, arme meisjes en halve prostituees. Voor hen ga ik een roos leggen.

Het kerkhofje ligt in een soort kuil tussen de dijken. De wind raast door de kale bomen. Mijn roos belandt bij Aloisia Marscha (1877-1905), want nogal wat graven hebben achteraf toch nog een naam gekregen. Alleen: de meesten blijken helemaal geen vrouw te zijn. Het waren in meerderheid bakkersknechts en kappersgezellen die in de Donau sprongen. Die jongens hadden duidelijk hun eigen problemen.