Orionzaak: OM zwemt in bewijs

Het OM eiste gisteren hoge celstraffen tegen acht mannen, onder wie een ex-marinier, die een Orion-vliegtuig van de Koninklijke Marine gebruikten voor de smokkel van cocaïne. De verdediging vond de opsporingsmethoden te cru.

Moszkowicz senior vond het een ,,mooi requisitoir''. De Amsterdamse officier van justitie F. Teeven heeft dan ook een `mooie zaak'. Gisteren eiste hij tien jaar gevangenisstraf tegen de cliënt van Moszkowicz, de gewezen marinier Rob L. Volgens Teeven was L. de ,,uitvoerder'' van de smokkel van 120 kilo cocaïne met een Orion-patrouillevliegtuig van de Koninklijke Marine, die vorig jaar juli aan het licht kwam.

Tegen Fred B. en André G., twee andere hoofdverdachten, eiste de officier respectievelijk twaalf en tien jaar. ,,Het dossier is bijzonder overzichtelijk'', zei Teeven in zijn inleiding. ,,En zoals raadsman Jahae al eerder opmerkte, het openbaar ministerie verdrinkt in deze zaak bijkans in het bewijs.'' De vraag is daarom of de vérgaande opsporingsmethoden die het OM bij het onderzoek gebruikte, wel echt nodig zijn geweest.

Op 5 januari vertelde korporaal der marine Paul Mulder aan de marechaussee op de Antillen dat hij door Rob L. was benaderd om cocaïne te smokkelen aan boord van het fregat Philips van Almonde. Vanaf dat moment heeft het Amsterdamse OM het onderzoek strak in de hand gehouden. Het OM beschikte al over informatie over André G en Fred B., twee vermeende drugshandelaars. Begin maart `98 werden daarom telefoontaps geopend op Rob L. op Curaçao en op André G. en Fred B. in Amsterdam. Vanaf dat moment konden politie en justitie het verkeer tussen Rob L. en zijn Amsterdamse opdrachtgevers tot in de kleinste details in kaart brengen.

Agenten 3905 en 3907, `Jan en Michel' van de marechausseebrigade op de Antillen hadden Paul Mulder intussen aangeraden ,,het spel voorlopig mee te spelen''. Daarmee was `informant 125' wel iets meer geworden dan een doorgeefluik van informatie over de verrichtingen van Rob L. en zijn medeverdachten. Tijdens zijn requisitoir betoogde officier Teeven dat Mulder uitsluitend een informant was geweest. ,,Voor infiltratie dient er sprake te zijn van een in opdracht van justitie onder valse dekmantel binnendringen van een criminele organisatie. Dat was bij Mulder niet het geval.''

Maar Mulder had zich al voor de start van het onderzoek schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, gaf Teeven in zijn requisitoir toe. De Centrale Toetsingscommissie (CTC), sinds de IRT-affaire verantwoordelijk voor het tegen het licht houden van de opsporingsmethoden van het OM, sprak op 13 maart in een advies aan het college van procureurs-generaal dan ook simpelweg van een ,,burgerinfiltratietraject''. Uit de brief van de CTC blijkt dat de commissie niet blij was met de manier waarop het Amsterdamse OM te werk was gegaan: ,,De commissie is van oordeel dat, wanneer dit infiltratietraject tevoren ter toetsing zou zijn voorgelegd, zij zou hebben geadviseerd te kiezen voor een andere opzet, namelijk politie-infiltratie aan de hand van een concreet plan van aanpak.'' Desondanks adviseerde de CTC het college van PG's de burgerinfiltrant voorlopig goed te keuren, mits er duidelijke, schriftelijke afspraken werden gemaakt met Paul Mulder.

Die afspraken zijn nooit gemaakt, zo bleek afgelopen dinsdag nog eens uit het verhoor van Mulder ter zitting. `Jan en Michel' moesten informant 125 verschillende malen op de vingers tikken. Zo stelde Mulder Rob L. voor geen tweehonderd, maar vijfhonderd kilo cocaïne te transporteren en dat is uitlokking, zo betoogden de raadslieden van de verdachten. Verder speelde Mulder twee faxen door die hij in het huis van Rob L. had onderschept. Tijdens zijn verhoor verontschuldigde Mulder zich voor zijn fouten: ,,Ik speelde een crimineel, maar daar had ik nooit voor gestudeerd.''

Tijdens het verhoor bleek ook dat Mulder nimmer de gelegenheid geboden is het spel níet mee te spelen en het te laten bij die ene tip. Zelf had hij nooit overwogen om zich terug te trekken, vertelde hij. ,,Ik deed mijn burgerplicht als beëdigd militair. Als je A hebt gezegd, moet je ook B zeggen.'' Dat zijn rol als infiltrant grote gevolgen zou hebben voor zijn privéleven, realiseerde hij zich pas achteraf. ,,Het was voor mij een volledig nieuwe, onbekende wereld.'' Inmiddels is Mulder in een getuigenbeschermingsprogramma geplaatst.

H. Jahae, raadsman van verdachte André G. vindt dat justitie onzorgvuldig met de belangen van Mulder is omgegaan. ,,Zonder enige noodzaak is het privé-leven van Mulder en zijn gezin om zeep gebracht.'' Volgens Jahae had justitie het in het onderzoek heel best kunnen stellen zonder de medewerking van Mulder. ,,Ze hadden de telefoon van Rob L. al getapt. De informatie over de Amsterdamse connectie kwam van henzelf. Waarom dan gebruik maken van een infiltrant? Omdat de officier dat zo spannend vindt?''

Op 1 mei 1998 vertrok de Philips van Almonde uit Willemstad, mét Paul Mulder, maar zónder coke. De Colombianen hadden niet op tijd kunnen leveren. Op 8 juli vertrok een Orion-patrouillevliegtuig naar Nederland. Aan boord waren vier plunjezakken met in totaal 120 kilo cocaïne. Op het moment dat de cocaïne via vliegbasis Valkenburg en de marinierskazerne in Amsterdam was beland, werden de acht verdachten in de kraag gegrepen.

Oorspronkelijk was het helemaal niet de bedoeling geweest om de coke in Nederland af te leveren. In een brief aan de CTC van 10 maart schrijft Teeven: ,,De Koninklijke Marine, en met name ook het dienst doende stationsschip (De Philips van Almonde, red.) wordt ten behoeve van de kustwacht van de Nederlandse Antillen en Aruba ingezet voor de drugsbestrijding. Het moet dan ook als zeer ongewenst en ernstig worden beschouwd dat juist de Koninklijke Marine op deze wijze wordt betrokken bij de smokkel van verdovende middelen naar Nederland. De cocaïne dient in mijn visie dan ook te worden onderschept alvorens daartoe in te schakelen personeel en materieel naar Nederland vertrekken.''

Eind juni had dit argument kennelijk zijn geldigheid verloren, want toen besloot het OM toch tot een `gecontroleerde aflevering' in Nederland over te gaan. Weliswaar niet per schip maar per Orion-patrouillevliegtuig, maar Orions worden óók ingezet bij de bestrijding van de drugshandel. Dat had alles te maken met het belang van het onderzoek, betoogt J. Steenbrink, persofficier van het Amsterdamse OM. ,,Je probeert de hele organisatie zo goed mogelijk in kaart te brengen, ook aan de Nederlandse kant.'' Maar de beide verdachten aan `Nederlandse kant', Fred B. en André G., waren al door de telefoontaps uitgebreid in beeld. En door de publiciteit rond de affaire liep het imago van de Marine wel averij op.