Mogen wij ook even?

In 1994 moest het CDA in de oppositie nadat het voor het eerst sinds zijn ontstaan de macht verloor. Hoe de christen-democraten in de nieuwe situatie moesten opereren, daarvan hadden ze totaal geen idee. Adviezen van VVD-politicus Wiegel, maar vooral de barre praktijk van het oppositievoeren zelf, moesten uitkomst bieden.

Opponeren kun je leren. Het was dit advies van gevierde oppositiepolitici als Hans Wiegel, waaraan de christen-democraten zich na augustus 1994 vastklampten. Ze konden weinig anders. Na de desastreuze verkiezingsnederlaag van enkele maanden eerder en het verlies van de macht tijdens de daaropvolgende kabinetsformatie, waren de CDA'ers op volstrekt onbekend terrein terechtgekomen: de oppositie. ,,Een tocht door de woestijn'', zo betitelde de pas aangetreden fractieleider Enneüs Heerma de nieuwe situatie.

Heerma ging maar eens buurten bij collega-fractievoorzitters, zoals Frits Bolkestein van de VVD om over het oppositievak te praten. Andere christen-democraten, onder wie Hans Hillen, nodigden Hans Wiegel uit om een college oppositievoeren te komen geven.

,,Ik probeerde de christen-democraten een beetje opgewektheid bij te brengen'', vertelt Wiegel over het college dat hij januari 1995 tijdens een bezinningsweekeinde in Maarsbergen aan de christen-democraten gaf. ,,Ze zaten er in zak en as bij elkaar. Het werd bijna een soort therapeutische zitting. Ik zei aan het eind: `Heb een prettig weekend. Drink een glas met elkaar. Kijk niet zo somber. Wees niet zo ernstig. Heb geduld. Maak er met elkaar wat moois van. Ontspan uzelf, dan lukt alles.' Dat sloeg bij sommigen aan, maar niet bij allemaal. Zeker niet bij de ernstige mensen in het gezelschap, en daar heb je er nogal wat van bij het CDA.''

De oproep tot vrolijkheid hing samen met Wiegels analyse dat de christen-democraten niet veel aan hun situatie konden verbeteren. Ze zaten nu eenmaal in het verdomhoekje. Maar dat betekende niet dat er intussen niets te leren viel. Binnen de beperkte marges die de nieuwe rol met zich meebracht, had de oppositie een eigen taak, zo doceerde Wiegel. ,,Deze kan fouten en blunders uitbuiten, coalitiepartners tegen elkaar uitspelen, buitenparlementair actief zijn, ongenoegen verwoorden en emoties oproepen.''

Wiegel ried zijn gehoor onder meer aan de slachtoffers van oppositionele aanvallen zorgvuldig te kiezen. Niet premier Kok dus, die de CDA-fractie even eerder ter verantwoording had geroepen over negatieve uitlatingen van minister Pronk over de Indië-veteranen, maar Pronk zelf. Kok was populair bij de kiezers, Pronk veel minder. ,,Veel kiezers hebben een hekel aan die man. Kies hem uit als schietschijf, niet Wim Kok.''

Ook moest het CDA op `beschaafd agressieve wijze' eigen issues naar voren brengen die bij de eigen achterban goed lagen. Het kabinetsbesluit de winkels 'savonds en in het weekeinde langer open te stellen, bood daarvoor goed materiaal, volgens Wiegel. De kleine middenstand, een belangrijk onderdeel van de CDA-achterban, werd de dupe omdat de verruiming kleine winkels op kosten zou jagen. Het CDA moest proberen dit voor te stellen als een elitaire maatregel, slechts bedoeld ,,om de grachtengordel in de gelegenheid te stellen 'savonds zijn half onsje rookvlees te kunnen laten kopen''.

Tja, was dat nou oppositievoeren? ,,Voor one-liners als over dat half onsje rookvlees, hadden we niemand in huis die dat goed zou kunnen'', zegt vice-fractievoorzitter Ank Bijleveld. ,,Bovendien houdt onze achterban niet zo van deze manier van politiek bedrijven.''

CDA-leider De Hoop Scheffer herinnert zich de oppositieles als `nuttig', maar hij realiseerde zich meteen ook de beperkingen ervan. Over het gebruik van de one-liners zegt hij bijvoorbeeld: ,,De ene keer gaat het heel goed. Toen wij in de verkiezingscampagne van 1998 de leuze: `Waar was je Wim?` gingen gebruiken tegenover PvdA-lijsttrekker Kok, werd die veel uitgezonden op de radio. Maar soms komt het ook te ingestudeerd over. In de aanloop naar de Algemene Beschouwingen van 1998 bediende ik mezelf tijdens interviews een paar keer van het beeld dat het kabinet van het CDA vraagt `de paarse sokken te stoppen en er nog een paar extra bij te leveren'. Toen ik dat beeld in het debat zelf weer gebruikte was het niet verrassend meer.''

Ook het advies om Pronk tot doelwit te kiezen, leverde voor het CDA een probleem op. De Hoop Scheffer wilde wel; hij had zelf regelmatig botsingen gehad met de bewindsman. ,,Maar een belangrijk deel van onze achterban zag in Pronk juist een bewaker van een hoog percentage aan uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking.''

Het was dan ook niet het advies van Wiegel, maar vooral de barre praktijk van het oppositievoeren zelf, die uiteindelijk de beste leermeester bleek. Zeker de eerste twee jaar verliep de oppositie met vallen en opstaan.

Dat ondervond bijvoorbeeld sociaal-economisch specialist Pieter-Jan Biesheuvel. Hij voerde het woord bij de behandeling van de eerste begroting van Sociale Zaken in het najaar van 1994. Omdat die een erfenis was van het vorige CDA/PvdA-kabinet, koos Biesheuvel een wat veilige, beschouwende toon. Hij zei te hopen dat paars zich zou bewegen binnen het `Rijnlandse model', met zijn overlegcultuur en traditie van sociale politiek.

Biesheuvel kreeg een positief antwoord van minister Melkert, die zijn beroemde uitspraak deed: `Ich bin ein Rheinländer'. Biesheuvel zegt daarover: ,,Ik vond dat reuze complimenteus, omdat Melkert aanhaakte bij mijn betoog en zich in mijn ogen afzette tegen de harde lijn van coalitiegenoot VVD. Maar een aantal fractiegenoten gaf me op mijn donder omdat mijn verhaal veel te weinig oppositioneel was.'' Biesheuvel moest zijn beschouwelijke toon dan ook drastisch aanpassen, en wat pepers in zijn bijdrage voor de tweede termijn stoppen. ,,Voorzitter, tot op het bot zijn de regeringspartijen verdeeld over de fundamentele vragen op sociaal-economisch gebied'', heette het ineens.

De stelling bleef wat in de lucht hangen, en kwam hem op kritiek te staan van sommige hoofdartikelschrijvers. ,,In de retoriek van de oppositie heet dat `tot op het bot verdeeld', maar dat valt nu juist wel mee. Opvallend was juist de intentie die van beide `polen' in de coalitie werd uitgesproken om de vraagstukken los van ideologie, zakelijk te benaderen'', schreef NRC Handelsblad.

Ook na Biesheuvels optreden bleef het moeilijk voor het CDA zijn oppositie gestalte te geven als het om het kritiseren van het kabinetsbeleid ging. Daarvoor was de continuïteit te groot. Gemakkelijker ging het als de christen-democratie kans kreeg haar wijde vertakkingen in de Haagse netwerken tegen paars te gebruiken: politiek bevriende ambtenaren binnen ministeries bijvoorbeeld, of voorzitters van uitvoeringsinstanties in de sociale zekerheid. De val van Robin Linschoten, staatssecretaris van Sociale Zaken, in juni 1996 was mede aan deze contacten te danken.

Linschoten had zich in de nesten gewerkt met de benoeming van het bestuur van een orgaan (CTSV) dat toezicht moest houden op de uitvoering van de sociale zekerheid. Er waren aanwijzingen dat de bewindsman slordig te werk was gegaan bij de benoeming van het bestuur. De bal kwam aan het rollen toen het personeel het vertrouwen in de bestuursleden opzegde, en Linschoten de drie met dure afkoopsommen wilde laten vertrekken.

Onder druk van de Kamer zegde Linschoten toe enkele evaluatierapporten te laten schrijven over de gevolgde procedure. Doordat het CDA veel contacten had in de wereld van de sociale zekerheid met bijvoorbeeld professor Will Fase, oud-Kamerlid Steef Weijers en oud-minister Bert de Vries, was de fractie opvallend goed op de hoogte wanneer deze rapporten klaar waren, en wat er ongeveer instond. ,,Dat we goed in de sociale zekerheid zaten, heeft ons zeer geholpen'', zegt het CDA-Kamerlid Bijleveld. ,,Daardoor kon ik bij de regeling van werkzaamheden precies op het goede moment vragen waar de rapporten bleven, en me zoveel mogelijk bij de feiten houden. Suggestieve vragen zijn op zo'n moment funest, omdat ze je geloofwaardigheid als oppositiepartij aantasten.''

Een tijdige informatievoorziening was echter niet voldoende. Verdeeldheid in het regeringskamp en een dosis geluk waren ook nodig. Met name coalitiepartij D66 was ontevreden over de manier waarop Linschoten de Tweede Kamer tegemoettrad. Het CDA buitte deze onvrede uit. Samen met D66-woordvoerster Schimmel stelden de christen-democraten de tekst van een motie op die het woordje `onderzoek' bevatte. Met steun van D66 kreeg die motie een meerderheid in de Tweede Kamer.

Vervolgens diende zich de vraag aan wie de parlementaire onderzoekscommissie ging leiden. Het CDA had wel oren naar het voorzitterschap, maar Bijleveld en Wolters beseften het nadeel daarvan: het project zou het beeld van een oppositionele strafactie kunnen krijgen. Toen de CDA-fractie vernam dat de PvdA het Kamerlid Jan van Zijl voor het voorzitterschap wilde kandideren, trok het CDA zich dan ook schielijk terug. ,,We waren meteen enthousiast'', vertelt Wolters. ,,Want als er één Kamerlid was dat graag met forse uitspraken in de krant wilde, was het wel Jan van Zijl. Hij was uitermate geschikt om het kabinet in problemen te brengen.''

Hoe geschikt, bleek spoedig. Onder het voorzitterschap van Van Zijl stelde de onderzoekscommissie een rapport op dat hard oordeelde over Linschoten. De manier waarop de staatssecretaris drie bestuursleden had benoemd, betitelden Van Zijl cum suis als één van `onthutsende eenvoud'. Omdat de fracties van PvdA en D66 naar de zin van Linschoten onvoldoende afstand wilden nemen van dat soort kwalificaties, trad de staatssecretaris eind juni 1996 af.

In de affaire-Linschoten had het CDA bewezen gevaarlijk te kunnen opereren. Maar dat betekende niet dat de partij er telkens in slaagde haar ambtelijke contacten op die manier uit te buiten. Het ging er tevens om de informatie in het parlement effectief aan te wenden en de juiste balans te vinden tussen scherp en verantwoord politiek opereren. De aanpak van het CDA van een andere gevoelige kwestie, de zogeheten affaire-Van Randwijck, eveneens in 1996, bewees hoe moeilijk dat soms was.

Minister Sorgdrager was in de problemen gekomen nadat De Telegraaf had onthuld dat zij de vertrekkende Amsterdamse procureur-generaal (PG) Van Randwijck een gouden handdruk van vijfhonderdduizend gulden had meegegeven. Sorgdrager had de Tweede Kamer gemeld dat dit geldbedrag nodig was geweest omdat Van Randwijck niet goed functioneerde.

,,Nu heb ik d'r'', zo kwam het CDA-Kamerlid Frans Jozef van der Heijden januari 1996 triomfantelijk de fractieburelen binnengestormd. Hij had informatie die bewees dat Sorgdrager de Tweede Kamer had misleid. Van der Heijden beschikte over brieven van de advocaat van Van Randwijck. Daaruit bleek juist dat de minister de PG weg wilde hebben, omdat zij het college van PG's wilde inkrimpen van vijf naar drie procureurs.

Sorgdrager had met de misleiding van het parlement een doodzonde gepleegd, concludeerde Van der Heijden. ,,Ik stelde de fractie voor: ik ga in de aanval. Mevrouw, het is zus en zo gegaan. Dat is bewijsstuk a. U ontkent? O, maar dan hebben we hier ook nog bewijsstuk b. U ontkent weer? Dan hebben we hier bewijsstuk c. U heeft de Kamer voorgelogen. Einde verhaal, mevrouw.''

De fractie had in de personen van voorzitter Heerma en juridisch zwaargewicht Vincent van der Burg, echter twijfels. ,,Heerma en Van der Burg zeiden: je moet hier geen statements van maken, maar vragen. Want als je zo'n vooruitgeschoven positie inneemt, en je kunt die vertrouwelijke brieven vervolgens niet overleggen, dan komt er een tegenbeweging op gang. Heerma en de anderen waren gewoon bang om af te gaan. Ik ben er heilig van overtuigd, dat als ik met de feiten uit die stukken in de aanval was gegaan, de truc van de coalitie niet had gewerkt om die brieven op te vragen. Omdat we wankelmoedig waren, ik vragen moest gaan stellen in plaats van een hit and run-actie uit te voeren, kwam er een tegenbeweging op gang die ons de kop kostte.''

Van der Heijden hield 17 januari 1996 een betoog dat, inderdaad, vooral uit vragen bestond. Al snel meldde D66-Kamerlid Boris Dittrich zich aan de interruptiemicrofoon. ,,De heer Van der Heijden staat met een zesregelig briefje bij de interruptiemicrofoon. Wij kennen die brief niet. Hoe komt hij aan die brief? Gaat het om een vertrouwelijke brief?'' Van der Heijden weigerde het stuk echter af te geven.

,,Op het moment dat dit allemaal gebeurde, zaten Heerma en Gabor in de Kamerbanken'', zo blikt Van der Heijden terug. ,,Toen de anderen die stukken opeisten, sisten die beiden van uit hun stoel: `niet doen, niet doen'. Collega Hans Hillen zei achteraf tegen mij: als we ons verstand hadden gebruikt, hadden we op dat moment een schorsing aangevraagd. Dan hadden we rust in het debat gebracht, en met onze bron kunnen overleggen welke brief wel en welke niet openbaar zou mogen worden. We hadden dan naar de voorzitter kunnen stappen, en bewijsstukken kunnen leveren. Ik ben ervan overtuigd dat Sorgdrager dan had moeten aftreden.''

Mislukte oppositiestrategieën zoals bij de kwestie-Van Randwijck maar ook frustraties over de onzichtbaarheid van het CDA in het politieke debat, dreven de christen-democraten aan het eind van de kabinetsperiode naar een fenomeen dat `pinch hitting' werd genoemd. Kamerleden die minder hekel hadden aan de one-liner, en lol hadden in het opponeren, kwamen vooraan te staan in de oppositiestrijd. Kamerleden als Hillen werden steeds meer ingezet bij gevoelige parlementaire debatten en traden veelvuldig naar buiten in televisie- en krantenvraaggesprekken.De taakverdeling leek een vondst. Dat was ze echter maar half. Het nieuwe model was namelijk strijdig met wat christen-democraten zagen als een belangrijke taak van de volksvertegenwoordiger: nauw voeling houding met de achterban in het middenveld. Cees Bremmer, oud-partijsecretaris, Tweede-Kamerlid van 1994 tot 1998 en zelf geen `pinch-hitter', zegt daarover: ,,Ik zag zeker het nut van de pinch-hitters. Ze vergrootten de zichtbaarheid van het CDA in het parlementaire debat, en gaven de onderwerpen waarmee we ons wilden vereenzelvigen een gezicht. Maar het gevaar dreigde tegelijkertijd dat je A- en B-Kamerleden krijgt. Het nadeel daarvan is niet alleen dat de anderen minder te doen krijgen. Ze krijgen ook minder status in het middenveld. Als jij geen woordvoerder bent voor een bepaald onderwerp, waarom zou je achterban dan nog in je investeren?''

Daarnaast bleven CDA'ers hun reserves houden tegenover pinch-hitters zoals Hillen die, surfend op de golven van het nieuws, aandacht en daarmee prestige naar zich toe trokken. Sterker nog: het dagelijks bestuur van de partij besloot voorjaar 1997 dezelfde Hillen niet meer herkiesbaar te stellen. De pas aangetreden politiek leider De Hoop Scheffer moest hem later met moeite weer aan boord trekken.

Aanleiding voor de opzienbarende beslissing van het bestuur was Hillens, in de ogen van de bestuursleden, deloyale gedrag tegenover fractieleider Heerma. Zo zou hij, samen met andere voornamelijk katholieke Tweede-Kamerleden, in 1995 achter Heerma's rug hebben deelgenomen aan bijeenkomsten om de fractie meer politieke smoel te geven. Het dagelijks bestuurslid Karin van Nieuwenhuizen kan er vier jaar later nog boos over worden. De bijeenkomsten getuigden volgens haar ,,van die typische KVP-cultuur waar ik me rot voor schaam. Ik vond ze zo achterbaks, zo indirect, zo onauthentiek.''

Oud-minister Hanja Maij-Weggen, als hoofd van de CDA-delegatie in het Europees Parlement adviserend lid van het dagelijks bestuur, is rechtstreekser in haar beschuldigingen. Zij verwijt Hillen fractieleider Heerma domweg te hebben ,,vernield''. Zo zou Hillen de fractievoorzitter hebben tegengewerkt tijdens de campagne rond de Provinciale Statenverkiezingen van 1995. Hillen zou Heerma hebben gedwongen de confrontatie te zoeken met Maij, omdat de oud-bewindsvrouw uitlatingen van VVD-leider Bolkestein over asielzoekers had vergeleken met de ideeën van de extreem-rechtse Belgische politicus Filip de Winter. Nadat deze onenigheid in de CDA-fractie was uitgelekt naar het VVD-kamp, opende VVD-leider Bolkestein de aanval op Maij en Heerma. ,,Ik realiseerde me eigenlijk pas achteraf hoe ik door de groep rond Hillen betrokken werd bij de vernieling van Enneüs'', zegt Maij. ,,Ik vond het iets ongenadigs hebben. Er was sprake van verregaande disloyaliteit. Het had bij ons niet mogen gebeuren. Het etiket christelijk kon je er echt niet opplakken.''

Hillen, tegenwoordig secretaris van de Tweede-Kamerfractie, weerspreekt alle beschuldigingen van deloyaliteit. ,,Ik was niet deloyaal maar juist consequent'', zegt hij. ,,Van meet af aan heb ik tegenover Enneüs duidelijk gemaakt hoe ik over hem dacht. Ik maakte me grote zorgen over het feit dat (...) zijn presentatie niet goed verliep. Daardoor kregen we als partij een probleem. Anderen waren zo labbekakkerig om dat niet rechtsstreeks tegen hem te zeggen. Ik deed dat tenminste wel.''

Mede door de verziekte verhoudingen in de fractie, kon het CDA tussen 1994 en 1998 geen vuist maken tegen paars. Incidenten zoals de mislukte aanval van het CDA op minister Sorgdrager naar aanleiding van de opstand der procureurs (januari 1998), bleven elkaar opvolgen. Maar ook factoren als de weerzin tegen de strijd om de gunst van de media, en de gehechtheid aan de contacten met het middenveld, stonden oppositioneel enthousiasme in de weg. Na de verkiezingen van mei 1998 kreeg het CDA een nieuwe kans dat alsnog te ontwikkelen.

Dit artikel is gebaseerd op het boek `De Honden Blaffen. Waarom het CDA geen oppositie kan voeren' van Kees Versteegh dat de komende week verschijnt bij uitgeverij Prometheus/Bert Bakker.